Magazine Achter de schermen in het decoratelier
  1. Magazine
  2. Achter de schermen in het decoratelier
  • Niels Nuijten
  • 15 Oct 2019
  • Leestijd: 4 minuten

Achter de schermen in het decoratelier

In Amsterdam Zuidoost, op een steenworp afstand van station Bijlmer, ligt het Decoratelier van Nationale Opera & Ballet. Jacques van de Velden is er eerste schilder. Hij werkt al 38 jaar bij de organisatie en heeft dus honderden producties voorbij zien komen. We vuurden een aantal vragen op hem af.

Wat doet een eerste schilder eigenlijk?
Je zou me artistiek leidinggevende van de schilderafdeling kunnen noemen. Ik overzie alle producties die eraan gaan komen en bekijk samen met de productievoorbereiders hoe we van maquette naar het daadwerkelijke decor moeten komen. Dan maak ik een planning en verdeel ik de taken onder mijn collega’s. Gelukkig schilder ik zelf ook nog veel.

Waar heb je dit vak geleerd?
Ik heb ooit een opleiding in reclamedecoratie gedaan en ben daarna begonnen aan de kunstacademie. Ik wist al vrij vlug dat ik de decorwereld in wilde en was via stages al terechtgekomen bij De Haagse Comedie (tegenwoordig Het Nationale Theater). Daarna heb ik bij het Ro Theater gewerkt en ben toen hier aangenomen. Al doende heb ik het vak verder geleerd.

Jacques van de Velden

Wat is er bijzonder aan het schilderen voor theater?
Het is een ambacht. Verschillende producties vereisen verschillende werkwijzen en schilderstijlen. Je moet die allemaal in de vingers kunnen krijgen. Ook moet je goed op grote schaal kunnen werken. Dat zijn dingen die je pas goed leert wanneer je hier aan de slag gaat. Iedereen op het atelier ontwikkelt zo zijn of haar eigen specialiteiten.

Hoe kom je van een ontwerp tot het uiteindelijke decor?
De ontwerper komt in eerste instantie met ideeën, vertelt daarover en neemt voorbeelden mee zoals foto’s of schetsen. Daar ga ik mee aan de slag door proeven, of samples, te maken. Het opschalen is daarbij erg belangrijk. Hoe ziet een schets of foto eruit op bijvoorbeeld tien bij twintig meter? Met wat voor materialen en kleuren kunnen we het beste werken? Uiteindelijk wordt er een maquette gemaakt waarin het hele decor en alle onderdelen in het klein worden gemaakt. Een aantal maanden voor de première gaan we aan de slag met het grote werk.

Nu zijn jullie volop bezig met de voorbereidingen voor La Cenerentola?
Inderdaad. Het decor van La Cenerentola bestaat voor een groot deel uit grote vlakken behang met een patroon. Dat wordt deels geprint maar voor een groot deel geschilderd. We werken bijvoorbeeld met een grote mal die ik door de timmerafdeling heb laten maken. Die gebruiken we als sjabloon om het juiste motief te maken. Daarbij werken we op de grond, waar we het hele doek kunnen uitleggen. Nu zijn mijn collega’s op de grond bezig met het achterdoek voor Who Cares? (voor de tournee van Best of Balanchine III), als die af is kunnen we weer verder met La Cenerentola. We moeten ook nog zorgen dat het schilderwerk er ‘oud’ uit komt te zien met speciale schildertechnieken. Schildertechnisch is dit voor ons een uitgebreide, maar ook heel leuke productie.

Je werkt hier al 38 jaar, is er veel verschil in je werk tussen toen en nu?
Het vak van decorateur is erg veranderd. Onder meer door de ontwikkeling van de computer. Vroeger was alles handwerk, tegenwoordig wordt er ook veel geprint. Ook zie je dat er steeds vaker gewerkt wordt met videoprojectie. Gelukkig gebeurt er toch nog heel veel met de hand. Vooral bij de opera zien regisseurs en ontwerpers graag nog de hand van de schilder. Ook de decorontwerpen zijn in de loop der tijd veranderd. Vroeger waren er veel meer klassieke details, nu wordt er vaak meer architectonisch gewerkt.

Zijn er meer van dit soort decorateliers?
Nog maar weinig theaters hebben hun eigen werkplaats. Daardoor wordt ons decoratelier ook steeds unieker. Omdat hier zoveel kennis en ervaring zit komen er vaak aanvragen van buiten de organisatie. Zo hebben we onlangs nog het decor gemaakt voor de voorstelling Freud van ITA. Ook uit het buitenland krijgen we veel verzoeken. We staan internationaal hoog aangeschreven. Dat is natuurlijk heel mooi, maar het moet wel allemaal kunnen naast onze eigen producties.

Is er een productie waar je het meest trots op bent?
Ik ben nog steeds heel erg gecharmeerd van De Materie (1989) van Louis Andriessen en Robert Wilson. Daar heb ik toen alle abstracte doeken voor geschilderd. Dat was een waanzinnige uitdaging om te doen. Verder heb ik niet echt specifieke hoogtepunten. Ik vind het vak zo leuk dat ik ontzettend geniet van alle verscheidenheid en mogelijkheden, en de ontwikkeling die je zelf doormaakt. Wat dat betreft zit ik hier helemaal op mijn plek.

 

Dit artikel staat ook in Odeon 116, het papieren magazine van De Nationale Opera