Magazine CHING-LIEN WU: ‘EEN HOOGTEPUNT IS ‘VA PENSIERO’ ABSOLUUT’
  1. Magazine
  2. CHING-LIEN WU: ‘EEN HOOGTEPUNT IS ‘VA PENSIERO’ ABSOLUUT’
  • Margriet Prinssen
  • 03 Dec 2019
  • Leestijd: 7 minuten

CHING-LIEN WU: ‘EEN HOOGTEPUNT IS ‘VA PENSIERO’ ABSOLUUT’

Het is onvermijdelijk: zodra je het over Nabucco hebt, gaat het over ‘Va pensiero’. Het koorstuk behoort tot de allergrootste ‘evergreens’ van het operarepertoire, het wordt door bijna iedereen herkend en is op talloze manieren in de geschiedenis gebruikt en misbruikt. Binnenkort keert Nabucco voor het eerst sinds 1975 terug bij DNO. Een uitdaging voor het Koor van De Nationale Opera en koordirigent Ching-Lien Wu.

 

De Taiwanees-Franse koordirigent Ching-Lien Wu heeft Nabucco al eerder gedirigeerd, in Genève. Ze houdt van de opera: “Het is een sterke Verdi, met een perfecte dramatische timing, indrukwekkende rollen en een hoofdrol voor het prominent aanwezige koor.” “En inderdaad, ‘Va pensiero’ is een hoogtepunt, zonder meer”, beaamt Wu die de laatste vijf jaar – sinds september 2014 – het Koor van De Nationale Opera tot nieuwe, ongekende hoogte heeft gebracht.

Een van de meest bijzondere, recente uitvoeringen van Nabucco is voor Wu die van Riccardo Muti in 2011 in Rome. “Toen het publiek om een ‘Bis’ vroeg, hield hij een vlammend betoog waarin hij uitlegde dat hij graag met iedereen dit prachtige lied zou willen zingen, niet uit patriottistische overwegingen maar omdat de cultuur in ‘la bella Italia’ verloren dreigde te gaan vanwege de enorme bezuinigingen. Het publiek stond op en zong uit volle borst mee en zo werd het werd een van de krachtigste protesten tegen de bezuinigingen op kunst en cultuur ooit.”

 

Klankkleur

De melodie is in feite heel simpel, vertelt Wu. Het koor is grotendeels unisono, iedereen kan het meezingen. Dat is ongetwijfeld een van de redenen van het enorme succes maar het verklaart niet waarom het zo geweldig aansprekend en meeslepend is: “Dat is de magie van muziek.”

Wanneer we elkaar spreken, is het Koor nog niet begonnen aan de repetities van Nabucco. “We starten in november. Doorgaans zijn we met drie producties tegelijkertijd bezig: één opera die we aan het instuderen zijn, één waar we al scenisch met de regisseur aan werken en één waarvan we de voorstellingen op dat moment spelen.”

Voor Nabucco is het koor uitgebreid tot 86 personen. Zakelijk leider Naud van Geffen legt uit: “Gemiddeld werken we met ongeveer 70 zangers; het huiskoor (de medewerkers die in vaste dienst zijn) bestaat uit 50 mensen. Voor elke opera kijken we hoeveel extra freelancers we moeten inhuren, hoeveel bassen, hoeveel tenoren, hoeveel sopranen of alten. Er wordt heel nauwkeurig gelet op de klankkleur. Dat hangt uiteraard af van de opera en de zwaarte die je deze wilt geven. Voor Nabucco hebben we meer extra mannenstemmen nodig dan vrouwenstemmen: uiteindelijk bestaat het Koor voor deze opera uit 49 mannen en 37 vrouwen.” Freelancers met precies de goede stemmen vinden is niet altijd even gemakkelijk: “Mannenstemmen zijn moeilijker te vinden dan vrouwenstemmen. Vooral in de periode voor Kerst en voor Pasen is het lastig om mannen te boeken omdat zij al worden ingehuurd voor de oratoria, requiems en passiespelen.”

Koor van De Nationale Opera, Gurre-Lieder

Zoeken naar de ideale plek

Ching-Lien Wu vult aan: “Bij Verdi-opera’s heb je meer mannen nodig vanwege de harmonieën. Je moet een stevig fundament hebben, onder andere omdat er zoveel solistische mannenrollen, zoals soldaten, voorkomen in de opera. Anders raakt het evenwicht zoek.

Uiteraard is ook de regie en dan vooral de mise en scene van groot belang voor het Koor. Wu’s vuurdoop bij De Nationale Opera was Wagners Lohengrin (september 2014), met het monumentale decor van beeldend kunstenaar Jannis Kounellis. De (destijds ruim honderd!) koorleden waren, podiumbreed en vier rijen hoog, verdeeld over een gigantische achterwand van staal. “Wu bracht de meer dan honderd zangers tot een perfecte eenheid”, schreef NRC-Handelsblad. Desgevraagd noemt ze ook Händels Jephtha, met een schat aan hemelse koorstukken geknipt voor het toneel, als een hoogtepunt in haar carrière tot nu toe. Wu: “Juist omdat het Koor in een vrijwel lege ruimte stond, kwam de zang zo tot zijn recht. Het is vaak zoeken naar de goede positie voor het Koor; soms staan we te ver naar achteren of te verdeeld over de ruimte, om de akoestiek ten volle te kunnen benutten. Het is altijd zoeken naar de ideale plek die soms tegenstrijdig is met andere wensen van het artistiek team.”

“Normaal gesproken is bij de ‘Bauprobe’, een jaar voor de première van de desbetreffende opera, bekend op welke plek het koor komt te staan en kunnen we daarop inspelen. Maar soms verandert er toch iets in de repetitieperiode en dan is het heel belangrijk dat wij die flexibiliteit kunnen bieden.”

Een belangrijk aspect is of een voorstelling ‘in huis’ of elders geproduceerd wordt. In het geval van Nabucco is de voorstelling – een productie van Opernhaus Zürich – in Zürich in première gegaan. Daar is dan ook intensief samengewerkt met regisseur en dirigent, en daar zijn de kostuums en decors gemaakt. Wu: “In Zürich was de verhouding tussen mannen en vrouwen ongeveer fiftyfifty, maar ze hebben daar een kleiner toneel en een heel andere akoestiek.”

Het Koor van De Nationale Opera heeft een heel groot muzikaal palet, ze kunnen vrijwel alles zingen en de koorleden streven ernaar gezamenlijk een topprestatie te leveren. “In andere operahuizen zijn koorzangers wel eens meer gericht op het eigen ego.” Het is heel leerzaam om opnames te beluisteren waar het koor minder goed is, vertelt Wu. “Daar leer ik heel veel van. Wat trouwens interessant is, is dat je hoort dat een opname gedateerd is. Heel moeilijk om aan te geven waar dat precies aan ligt maar je hoort soms precies dat een opname uit bijvoorbeeld de jaren ‘70 afkomstig is. Ook koor- en orkestdirectie zijn kennelijk tot op zekere hoogte aan mode onderhevig.”

Koor van De Nationale Opera, Pagliacci/La cavalleria rusticana, foto: Matthias Baus

Noot voor noot

Bij elke opera die wordt ingestudeerd, wordt begonnen met de uitspraak. Een taalcoach leidt de eerste repetities – Wu is daar bij voorkeur niet bij – en neemt heel precies de partijen door met het hele koor: op klemtoon, op uitspraak, tot in de kleinste details. De solisten kennen normaal gesproken hun eigen partij al voordat de repetities beginnen, maar voor het koor geldt dat niet. Wu: “Je kunt veel meer sturen als je de opera samen instudeert – noot voor noot, detail voor detail – dan als iedereen individueel de partituur thuis al uitgebreid heeft bestudeerd en zijn of haar eigen interpretatie heeft gemaakt. Je kunt heel precies met elkaar afspraken maken en een klankkleur bepalen. Hoe meer oog voor nuance je hebt, des te verfijnder wordt het uiteindelijke resultaat, vergelijkbaar met het maken van een kostuum of het ontwerpen van een gebouw.”

Ze werkt bij het instuderen altijd met verschillende tempi, om het koor zo flexibel mogelijk te houden. “Elke dirigent is anders en, ook al ken ik inmiddels de smaak en de voorkeur van de meeste, het is nooit helemaal te voorspellen welke keuze zij maken. Zij hebben ook hun eigen ontwikkeling en hun eigen ideeën. Bovendien is elke voorstelling anders: een dirigent of een van de solisten kan net een fractie sneller of juist langzamer gaan. Dus ik zorg ervoor dat de koorleden niet van hun stuk gebracht kunnen worden en dat ze zich kunnen aanpassen aan elk tempo.”

Nabucco in Zurich Opera Hause, Foto: Monika Ritterhaus

Kapitein op het schip

Is de keuze voor een bepaald tempo in de loop van de tijd eigenlijk erg veranderd? Wu: “Heel in het algemeen kan je zeggen dat het tempo vroeger, laten we zeggen tot de jaren ‘60 van de vorige eeuw, beduidend lager lag, dat het de afgelopen decennia vaak juist hoger lag en dat nu eigenlijk alle variaties naast elkaar voorkomen, onafhankelijk van leeftijd of muzikale achtergrond: soms houden jonge dirigenten juist een vrij traag tempo aan, en anderen houden weer van opschieten.”

De samenwerking met de orkestdirigent is natuurlijk cruciaal. “Hij of zij is muzikaal gezien uiteraard de kapitein op het schip, niet de koordirigent. De samenwerking is vrijwel altijd goed: de een is wat meer gewend zich autoritair op te stellen, de ander is flexibeler. Wat de orkestdirigent vraagt van het koor moet uiteraard haalbaar zijn. En dat geldt ook voor de regisseur of voor de artistiek directeur. Het is een kwestie van wederzijds vertrouwen.”

Dit artikel verscheen in het tijdschrift van De Nationale Opera Odeon.