Magazine Don Carlo: Een schitterend drama
  1. Magazine
  2. Don Carlo: Een schitterend drama
  • Frits Vliegenthart
  • 06 May 2020
  • Leestijd: 9 minuten

Don Carlo: Een schitterend drama

Ga naar de stream

Behalve voor de toneelwerken van William Shakespeare en Victor Hugo koesterde Giuseppe Verdi als hij op zoek was naar geschikte operastof ook een voorliefde voor de drama’s van Friedrich Schiller. Diens stuk over de ongelukkige Spaanse kroonprins Don Carlos werd de basis voor een van Verdi's meest geslaagde werken. Een makkelijke bevalling was het niet, met name door de grote lengte van het drama in verzen. Er bestaan van Don Carlos (Frans)/Don Carlo (Italiaans) maar liefst vijf verschillende hoofdversies. De Nationale Opera koos voor die uit Milaan.

In de zomer van 1864 stuurde Émile Perrin, de directeur van de Parijse Opéra, een libretto van Eugène Scribe, getiteld Judith, naar Verdi, in de hoop dat die daar een grand opéra van wilde maken. De componist wees de suggestie van de hand, maar liet ruimte voor een alternatief: "Als ik voor de Opéra zal schrijven, dan alleen op een tekst die mij geheel bevredigt en bovendien moet het er een zijn die echt indruk maakt."

Via de impresario en muziekuitgever Léon Escudier bleef Perrin Verdi achtervolgen, waarbij als mogelijke titels onder meer King Lear (Shakespeare) en Cléopatra werden genoemd. Aan Escudier liet Verdi weten: "King Lear is geweldig, subliem en vol pathos, maar voor de Opéra is het visueel niet spectaculair genoeg. Wat dat betreft is Cléopatra weer beter geschikt, maar de liefdes van de hoofdpersonen, hun karakters en zelfs hun wederwaardigheden wekken maar weinig sympathie op... Kortom, alles hangt af van het libretto. Een libretto, een libretto en de opera is er!"

Toen Escudier in juli 1865 Verdi thuis in Sant’Agata kwam opzoeken, had hij niet alleen het libretto van Cléopatra bij zich, dat geschreven was door Joseph Méry en Perrins schoonzoon, Camille du Locle, maar ook hun scenario voor een Don Carlos, naar Friedrich Schillers Don Karlos. Infant von Spanien. Beide libretti waren in het Frans. Meteen daarop liet Verdi aan Perrin weten dat hij niets zag in Cléopatra, maar dat Don Carlos ‘een schitterend drama’ was, ‘hoewel misschien wat arm aan toneelbeelden’.

Nog diezelfde maand kon Escudier aan Perrin berichten dat Verdi een opdracht voor de winter 1866-1867 aanvaardde, mits er – als het Don Carlos werd – een verrassingselement aan het stuk zou worden toegevoegd, bijvoorbeeld de verschijning van keizer Karel V. Zelfs toen lag de keuze nog open tussen King Lear, waar Verdi toch veel voor voelde, en Don Carlos. Pas een tweede concept voor wat vermoedelijk het definitieve contract werd (november 1865), spreekt van ‘een opera in vier of vijf akten, gebaseerd op Schillers Don Carlos, op een libretto van Méry en Du Locle’.

Giuseppe Verdi omstreeks 1870.

Schillers Don Carlos: een gebrek aan structuur

Hoe rijk het ook is aan ideeën en emoties, het toneelstuk Don Carlos vertoont een grote tekortkoming, namelijk een gebrek aan structuur. Een mogelijke verklaring daarvoor is het feit dat Schiller het schreef in een periode van vier jaar (1783-1787), met allerlei onderbrekingen, waaronder de creatie van Kabale und Liebe. Toen het drama eindelijk af was, bleek het een monsterlijke lengte van 6000 verzen te hebben, het dubbele van Die Räuber, Kabale und Liebe en Die Jungfrau von Orléans – waarop Verdi repectievelijk I masnadieri, Luisa Miller en Giovanna d'Arco zou baseren.

Geen wonder dat Verdi en zijn librettisten bij het componeren van de opera door die enorme omvang in de problemen kwamen. De eerste zes maanden van 1866 werkte Verdi ijverig aan Don Carlos, en toen hij in juli van dat jaar in Parijs arriveerde, had hij een zo goed als voltooide partituur bij zich. De repetitieperiode was lang en zwaar, en tegen het einde ervan bleek dat er moest worden gecoupeerd omdat de opera veel te lang was.

Na de met weinig enthousiasme ontvangen première op 11 maart 1867 en de geplande reeks voorstellingen zou Don Carlos vanaf 1869 voorlopig van het repertoire van de Opéra verdwijnen. Ondanks de coupures die voor de generale repetitie en zelfs nog na de première waren doorgevoerd, bleef de grote lengte een van de voornaamste blokkades op de weg naar echte populariteit.

Verdi zet de schaar in Don Carlos

Geen enkele componist stemt zonder slag of stoot in met het aanbrengen van coupures: instinctmatig zal een toondichter zijn geesteskinderen in bescherming nemen tegen dergelijke ‘amputaties’. Maar Verdi was realistisch genoeg om te weten wanneer hij moest toegeven. In 1872 had hij voor Napels al flink in Don Carlo (zoals de opera in het Italiaans heet) gesneden.

Met het oog op voorstellingen in Wenen werd hem tien jaar later verzocht het werk rigoureus terug te brengen naar vier akten. De componist schreef daarover ironisch aan zijn vriend Giuseppe Piroli (3 december 1882): "In deze stad sluiten de conciërges, zoals je weet, om tien uur ’s avonds de voordeuren van de huizen, en om die tijd zit iedereen aan het bier en het gebak. Als gevolg daarvan moeten alle theatervoorstellingen op tijd zijn afgelopen. Te lange opera’s worden onbarmhartig geamputeerd, zoals overigens in elk willekeurig theater in Italië. Maar als het echt onvermijdelijk is dat men mij mijn benen afzaagt, dan wil ik tenminste zelf het mes slijpen en hanteren."

In de jaren 1882-1883 pakte Verdi zijn Don Carlo stevig aan, waarbij hij niet alleen sommige delen die hij eigenlijk niet goed genoeg vond herschreef, maar vooral een aantal ingrijpende coupures aanbracht. De belangrijkste daarvan: het schrappen van de gehele eerste akte, die in Fontainebleau speelt (waaruit Verdi Carlo’s aria ‘Io la vidi’ voor een goed begrip van de handeling overnam in de nieuwe eerste akte), van het ballet en de eraan voorafgaande scène in de (oude) derde akte, en van het koor van de Inquisitie in de (oude) vijfde akte.

Don Carlo in vier bedrijven

Uiteindelijk was de componist niet ontevreden over de versie in vier bedrijven. In een brief aan zijn vriend Opprandino Arrivabene schreef hij (15 maart 1883): "De coupures schaden het muzikale drama niet. Integendeel, door het in te korten maken ze het levendiger. Het stuk wordt korter en veel krachtiger."

Hoewel het vervallen van de Fontainebleau-akte, waarin Don Carlo en Elisabetta elkaar als verloofden ontmoeten en op het eerste gezicht verliefd raken, de toeschouwer berooft van belangrijke informatie (en van prachtige muziek), wint de opera in een verkorte versie inderdaad aanzienlijk aan spanning en zeggingskracht. De versie in vier akten ging niet in Wenen in première, maar in Milaan, en wel in het Teatro alla Scala, op 10 januari 1884. Het is deze ‘Milanese’ Don Carlo die door De Nationale Opera wordt gepresenteerd.

Eén opera, vijf versies

Voor de volledigheid moet worden vermeld dat deze versie niet de laatste is: in 1886 zou voor uitvoeringen in Modena de eerste akte weer worden teruggeplaatst. Dat brengt het totale aantal hoofdversies op vijf: 1. de Franse oerversie uit 1866, 2. de in 1867 gepubliceerde Parijse versie (vijf akten plus ballet), 3. de Napolitaanse versie uit 1872 (die gelijk is aan de Parijse, afgezien van wijzigingen in de duetten tusen Posa en Filippo, en tussen Carlo en Elisabetta), 4. de Milanese versie in vier akten zonder ballet uit 1884 en 5. de Modena-versie uit 1886 (vijf akten zonder ballet).

Don Carlos: een historisch karakter

Schiller baseerde zich op de novelle Don Carlos van Abbé de Saint-Réal, in 1672 te Amsterdam gepubliceerd. Het historische feit waaruit deze vertelling, het drama en de opera als uit een kiemcel zijn ontstaan, is de Vrede van Cateau-Cambrésis (1559). Daarbij nam de Spaanse koning Filips II – na de dood van zijn tweede vrouw, Mary Tudor van Engeland – de veertienjarige Franse prinses Élisabeth de Valois tot zijn derde vrouw. Deze was oorspronkelijk als bruid voorbestemd voor de even oude Infante (kroonprins) Don Carlos.

Hoewel Carlos zijn nieuwe stiefmoeder aanvankelijk met argwaan bekeek – eventuele kinderen zouden immers rivalen kunnen worden voor zijn eigen troonopvolging – ontwikkelde zich tussen de beide jonge mensen een hechte vriendschap, zonder dat er aanleiding is om aan te nemen dat ze een verhouding hadden of op elkaar verliefd waren. Hier (en elders) veroorloofde Schiller zich een dichterlijke vrijheid.

Naar verluidt heeft de Infante op jeugdige leeftijd hersenletsel opgelopen door een val van een trap, die hem bijna het leven kostte. Getuigen beschrijven zijn onevenwichtige karakter en veelvuldige woede-uitbarstingen. Hij was zeer zeker opstandig tegenover zijn vader, die hem uit vrees voor een burgeroorlog onder huisarrest liet plaatsen. Niet lang na deze gebeurtenis stierf Don Carlos een natuurlijke dood.

Ook Élisabeth was geen lang leven beschoren: zij overleed drie maanden na Carlos op 22-jarige leeftijd, ten gevolge van een miskraam. Eerder had ze Filips twee dochters geschonken. Toen Filips Élisabeth in Spanje verwelkomde (1560), staarde zij hem aan, waarop de koning, die toen begin dertig was, lachend zei: ‘Waar kijkt u naar? Of ik al grijs ben?’

Filips II: 'zijn dolk volgde onmiddellijk op zijn glimlach' 

Naar dit moment verwijst hij in de opera tijdens zijn grote monoloog aan het begin van de derde akte. Ook bij Verdi is Filips nog niet oud in jaren, maar hij vóélt zich oud en vooral onbemind. De historische figuur was niet alleen introvert maar ook zeer onbetrouwbaar; van hem werd gezegd "dat zijn dolk onmiddellijk volgde op zijn glimlach". Filips II was paranoïde en niet in staat tot liefhebben. Hij vernederde zijn zoon regelmatig ten overstaan van het hele hof.

Meer dan bij Schiller krijgt Filips bij Verdi menselijke trekken en wekt hij zelfs medelijden. Een sleutelfiguur in de opera is Carlo’s altruïstische vriend Rodrigo, markies van Posa. Historisch gezien valt er weinig over hem te melden, behalve dat er inderdaad iemand van die naam heeft bestaan. Vermoedelijk liet Schiller zich hier inspireren door Don Juan van Oostenrijk, een bastaardzoon van keizer Karel V. Don Juan werd door Filips II met tegenzin aangesteld als landvoogd in de Nederlanden en het is niet ondenkbaar dat hij sympathiseerde met de opstandelingen. Of zijn dood onder onduidelijke omstandigheden daarmee te maken had, zoals wel wordt beweerd, is niet bewezen. 

De echte prinses Eboli ontleende haar naam aan een van de titels van haar man, Ruy Gomez da Silva. Inderdaad was zij een hofdame van Élisabeth en had ze dus toegang tot haar privé-vertrekken. Van enige intrige is echter niets bekend, ofschoon sommige historici denken dat minstens één van haar negen kinderen verwekt was door de koning. Ook de Grootinquisiteur is gebaseerd op een historische figuur, Diego de Espinosa. In werkelijkheid was de Inquisiteur echter niet in een positie om de koning te bedreigen, want deze had hem zelf aangesteld en had persoonlijk de leiding over de Inquisitie.

Een Herkenbare en menselijke opera

Don Carlo[s], tegenwoordig in de top drie van Verdi’s meest geliefde werken, stijgt ver uit boven het genre grand opéra. Het is een opera van de dood: Elisabetta, Don Carlo, Filippo en Posa verlangen allen naar het einde van hun treurige levens.

Terwijl de spannende gebeurtenissen zich afspelen tegen de achtergrond van een verstarde wereldmacht, gaat het in feite niet zozeer om die macht als wel om om een herkenbaar en menselijk drama over relaties tussen man en vrouw, vader en zoon, tussen vrienden.

Dit uit zich in sterke mate in de duetten. In geen andere opera van Verdi zijn de hoofdpersonages uitgewerkt tot zulke complete en geloofwaardige individuen als in Don Carlo[s]. De diverse locaties en sferen worden haarfijn geschilderd in het orkest. En last but not least: tegenover intieme episodes staan imposante koorpartijen.