Magazine Geschiedenis van De Notenkraker
  1. Magazine
  2. Geschiedenis van De Notenkraker
  • Astrid van Leeuwen
  • 01 Jan 2017
  • Leestijd: 7 minuten

Geschiedenis van De Notenkraker

De Notenkraker-gekte is in Nederland weliswaar niet zo hevig als in Amerika, maar ook hier vat de gedachte steeds meer post: een decembermaand zonder Notenkraker is als een kerstboom zonder piek. Sinds 1996 zagen meer dan 270.000 mensen de veelgeprezen Notenkraker-productie van Het Nationale Ballet.

De oorsprong van het ballet voert terug naar het einde van de negentiende eeuw, toen choreograaf Marius Petipa en componist Pjotr Iljitsj Tsjaikovski gevraagd werden om – na het overweldigende succes van hun Schone Slaapster – een tweede kaskraker te creëren, op basis van het Duitse sprookje Der Nußknacker und der Mäusekönig.

Inspirerende volkslegende

Volgens een Duitse volkslegende werden notenkrakers vroeger cadeau gedaan om de ontvangende familie geluk te brengen en haar huis te beschermen. De notenkraker stond voor kracht en moed en met zijn scherpe tanden (waar de noot tussen gekraakt wordt) zou hij kwade geesten op afstand houden. Ook zou hij de levenscyclus symboliseren: uit het zaad van de noot die hij kraakt, groeit weer een sterke boom, waaraan niet alleen nieuwe noten groeien, maar die houtbewerkers ook het materiaal verschaft om weer mooie nieuwe notenkrakerpoppen van te maken.

Schrijvers, componisten en andere kunstenaars hebben zich door de eeuwen heen door het Duitse volksverhaal laten inspireren. Onder hen Ernst Theodor Amadeus Hoffmann (1776-1822), die met zijn Nußknacker und Mäusekönig (1816) een sprookje voor kinderen én volwassenen schreef dat zijn tijd ver vooruit was. Net zoals de Brit Lewis Caroll in zijn bijna vijftig jaar later verschenen De avonturen van Alice in wonderland zou doen, mixte Hoffmann fantasie en realiteit op een ingenieuze, magische wijze door elkaar. Niet alleen hoofdpersoon Marie (Clara in het ballet) maar ook de lezer kan de twee nauwelijks uit elkaar houden.Andere kunstenaars lieten zich op hun beurt weer inspireren door Hoffmans sprookje, onder wie de Franse schrijver Alexandre Dumas père, die in 1844 L’Histoire d’un casse-noisette publiceerde.

Gouden duo

Welke van de versies – die van Hoffmann of die van Dumas – Ivan Aleksandrovitsj Vsevolosjki ook als eerste onder ogen kreeg, het staat vast dat de in 1882 aangetreden directeur van de Keizerlijke Theaters in Sint-Petersburg geraakt werd door het Notenkraker-verhaal. Hij zag het als basis voor een nieuwe, grootschalige balletproductie, die het enorme succes van de kort daarvoor door hem uitgebrachte Schone Slaapster (1890) zou kunnen evenaren of zelfs overtreffen.

Hij vroeg voor het nieuwe ballet dan ook hetzelfde ‘gouden duo’: componist Pjotr Iljitsj Tsjaikovski en Marius Petipa, de choreograaf die sinds 1869 aan het hoofd stond van het Keizerlijke Ballet en het ene na het andere balletspektakel voor het gezelschap had gecreëerd. De totstandkoming van De Notenkraker verliep echter een stuk minder soepel dan gehoopt. Allereerst waren Tsjaikovski en Petipa niet direct enthousiast: ze vroegen zich af of Hoffmanns sprookje zich wel leende voor een ballet, volgens hen ontbeerde het emotie en diepgang.

 

 

Vertraging

Niettemin leverde Petipa begin 1891 een minutieus uitgewerkt script aan bij Tsjaikovski, waarin praktisch elk detail was vastgelegd, van het tempo waarin de muziek moest worden geschreven tot het aantal maten dat een passage mocht duren. Tsjaikovski raakte daardoor nog gedeprimeerder. Hij noemde het componeren een ‘ware martelgang’ en schreef aan Vsevolosjki dat hij ‘dag en nacht als in een nachtmerrie werd achtervolgd door suikerkastelen en notenkrakers’. Vsevolosjki had met de componist te doen en verleende hem een jaar uitstel. Gelukkig diende de inspiratie zich daarna alsnog aan, mede doordat Tsjaikovski in Parijs de celesta had ontdekt, een klavierinstrument met stalen staven dat hij met Notenkraker in Rusland introduceerde. In de herfst van 1892 volgde een nieuwe tegenslag: Marius Petipa werd ernstig ziek en Lev Ivanov, de tweede balletmeester, moest inspringen. Hij voltooide de choreografie op basis van Petipa’s scenario.

In combinatie met Tsjaikovski’s korte nieuwe opera Jolanta moest Notenkraker dé topattractie van het winterseizoen 1891/1892 worden. Maar hoewel het publiek bij de première op 18 december 1892 volgens de overlevering nog wel redelijk enthousiast reageerde, beoordeelden de critici Petipa’s choreografie ronduit negatief. De belangrijkste rollen in het ballet (Clara, Frits en de Notenkraker) waren toebedeeld aan leerlingen van de Keizerlijke Balletschool, waardoor er voor de volwassen sterren – de zwaarlijvige Antonietta Dell’Era in de rol van Suikerfee en Pavel Gerdt als Prins Coqueluche – ‘bitter weinig te beleven viel’, aldus een recensent. ‘Voor de artistieke ontwikkeling van ons ballet is dit weer een stap achteruit’, voegde hij er geërgerd aan toe.

Groeiende populariteit

Bij alle kritiek leken de complimenten voor Tsjaikovski’s muziek – die unaniem geroemd werd – bijna over het hoofd te worden gezien en na veertien voorstellingen werd De Notenkraker van het repertoire afgevoerd. Dit bleek echter van tijdelijke aard: al gauw werd het ballet bijna jaarlijks opgevoerd door het Keizerlijke Ballet en, later, door zijn postrevolutionaire opvolgers. Een teken van de groeiende populariteit van het ballet, dat zich door de jaren heen als een van dé evergreens van het klassiek-romantische balletrepertoire zou bewijzen.

Europa maakte in 1934 voor het eerst kennis met De Notenkraker, dat als Casse-Noisette werd ingestudeerd bij het Londense Sadler’s Wells Ballet door Nicholas Sergejev. De voormalige regisseur-generaal van het Marijinski Theater baseerde zich daarbij op een van de 21 notitieboeken die hij na de Oktoberrevolutie uit Rusland had meegesmokkeld. Zes jaar later maakte De Notenkraker de oversteek naar de Verenigde Staten: Les Ballets Russes de Monte Carlo presenteerde de New Yorkse première van een één akte tellende versie, met – net als in Londen – Alicia Markova in de rol van Suikerfee.

 

 

Notenkrakervirus

Het duurde niet lang of heel Noord-Amerika raakte besmet met het ‘Notenkraker-virus’. Sinds de jaren vijftig is het ballet er onlosmakelijk verbonden met de kersttijd: zelfs families die anders nooit naar ballet gaan, laten zich in de decembermaand door De Notenkraker betoveren en bijna elke provinciestad heeft haar eigen ‘community-art’-versie. Aan die immense populariteit hebben Walt Disney’s tekenfilm Fantasia (1941) – waarin delen van Tsjaikovski’s muziek zijn gebruikt – en George Balanchines Nutcracker (1954) voor het New York City Ballet zeker bijgedragen.

Ook Nederland maakte in de jaren vijftig kennis met De Notenkraker. Het Ballet der Lage Landen bracht aanvankelijk een verkorte suite en de tweede akte, maar vanaf 1957 stond een volledige versie van Engelsman Walter Gore op het repertoire. Bij het Scapino Ballet oogstte de productie van voormalig artistiek directeur Armando Navarro vanaf 1975 bijna twintig jaar lang aanhoudend succes.

Vandaag de dag worden over de hele wereld Notenkrakers gedanst, door de grootste en door kleinere balletgezelschappen, in de meest uiteenlopende versies. Van Petipa’s originele choreografie is alleen de Grand Pas de Deux uit de tweede akte grotendeels intact gebleven. Naast traditionele versies zien ook regelmatig moderne varianten het licht, zoals die van Mark Morris, Matthew Bourne en de eigenzinnige ‘zwarte’ Notenkraker van Marco Goecke, die in 2008 bij Scapino Ballet Rotterdam in première ging.

Bekijk de trailer!

Notenkraker en Muizenkoning

Hoewel Het Nationale Ballet al in zijn oprichtingsseizoen, 1961/1962, de Grand Pas de Deux uit Notenkraker danste, duurde het tot 1996 voordat het gezelschap een volledige versie op het repertoire nam. Deze productie, van choreograaf en ontwerper Toer van Schayk en voormalig artistiek directeur Wayne Eagling, ging op 13 december van dat jaar in Het Muziektheater Amsterdam in première en was meteen een hit bij zowel pers als publiek. ‘Magnifieke Notenkraker’ en ‘Notenkraker overtreft alle verwachtingen’, kopten de landelijke kranten. Van Schayk en Eagling doopten hun versie Notenkraker en Muizenkoning, om daarmee aan te geven dat zij dichter bij Hoffmanns oorspronkelijke verhaal zijn gebleven. Hun interpretatie is ook veel minder zoet dan – met name – de Amerikaanse versies; bij hen speelt het tweede bedrijf zich niet af in het land van Suikergoed, maar binnen in een magische toverlantaarn.

Hollandse setting

Tegelijkertijd hebben ook zij eigen elementen toegevoegd aan het verhaal en daarbij gekozen voor een typisch Hollandse setting. De plaats van handeling is dus niet langer een Duits stadje, zoals bij Hoffmann, maar Amsterdam rond 1810, waar de familie Staalboom een deftig huis bewoont aan een van de grachten. Omdat het destijds niet gebruikelijk was elkaar met kerst cadeaus te geven, speelt hun versie niet op kerstavond (en kent dus ook geen groeiende kerstboom, wat voor Canadees Eagling ‘wel even slikken was’), maar op sinterklaasavond.

Hun versie laat – voor de oplettende kijker – ook overtuigend zien dat Notenkraker meer is dan alleen een zoet sprookje. Hoffmans verhaal roert universele thema’s aan als de overgang van kindertijd naar adolescentie, angst, vluchten uit de realiteit en de kracht van liefde. De scène in de eerste akte waarin de kleine Clara plotseling plaats heeft gemaakt voor de grote Clara; de echte wereld die doordringt in een droom, waarna die droom vervolgens zo levensecht wordt dat je nauwelijks nog weet wat fantasie is en wat realiteit: het zijn transformaties die in de versie van Van Schayk en Eagling met subtiele middelen worden verbeeld, maar die juist daardoor zo betoverend zijn. Ook voor volwassenen die niet meer in sprookjes geloven.

 

Dit artikel werd eerder gepubliceerd in het luxe programmaboek van Notenkraker en Muizenkoning (seizoen 2015 / 2016).