Magazine Madrigalen: een Monteverdi-drieluik
  1. Magazine
  2. Madrigalen: een Monteverdi-drieluik
  • Frits Vliegenthart
  • 28 Apr 2017
  • Leestijd: 7 minuten

Madrigalen: een Monteverdi-drieluik

Van de toch zo productieve Monteverdi zijn slechts drie complete opera’s bewaard gebleven: L’OrfeoIl ritorno d’Ulisse in patria en L’incoronazione di Poppea. Voor velen voelt dit als een groot gemis.

Door drie van Monteverdi's korte theaterwerken te combineren creëerde DNO een avondvullende voorstelling: Lamento d’Arianna, Il ballo delle Ingrate en Il combattimento di Tancredi e Clorinda. Het Lamento is een scène uit de opera L’Arianna, waarvan de rest helaas verloren is gegaan. De andere twee stukken staan in Monteverdi’s Achtste Madrigaalboek (gepubliceerd in 1638), vandaar de verzameltitel van dit drieluik: Madrigalen.

Madrigalen

Kennelijk was voor Monteverdi ‘madrigaal’ een ruim begrip. Doorgaans wordt de term gebruikt voor meerstemmige zettingen van poëzie, een van oorsprong Italiaans genre dat in de loop van de 16e eeuw tot grote bloei kwam. Aanvankelijk konden deze stukken nog worden gezongen door geschoolde amateurs. Door de toenemende virtuositeit en expressiviteit van het madrigaal kwam er in de jaren 1580 en ‘90 echter een scheiding tot stand tussen (actieve) uitvoerders en (passieve) toehoorders.

Van een muzikaal-sociale bezigheid had het madrigaal zich ontwikkeld tot een (semi)dramatisch concertstuk. Het intens emotionele karakter versterkte de aan het genre inherente paradox: hoe konden vier of vijf mensen tegelijk – en verstaanbaar − uiting geven aan de meest individuele emoties? Dit was een van de aanleidingen tot het ontstaan van de met basso continuo begeleide solozang (en vervolgens van de opera), waarmee er na 1600 geleidelijk een einde zou komen aan de geschiedenis van het madrigaal.

Grootse festiviteiten

Het hertogelijk hof van de Gonzaga’s in Mantua was een van de meest briljante cultuurcentra tijdens de Renaissance in Italië. Claudio Monteverdi heeft daar vanaf ±1590 als musicus gewerkt onder kapelmeester Giaches de Wert, afkomstig uit de Zuidelijke Nederlanden. Deze inspirerende werkomgeving had een sterk stimulerend effect op zijn artistieke ontwikkeling. Zonder het voorbeeld van De Werts moderne madrigalen en kerkmuziek zou Monteverdi misschien nooit zo’n vooruitstrevende componist zijn geworden. De Wert was bevriend met Torquato Tasso en hij had een primeur toen hij delen uit diens Gerusalemme liberata op muziek mocht zetten, nog voordat dit epos was gepubliceerd. Ook Monteverdi zou later putten uit Tasso’s grootse werk.

Ter gelegenheid van het huwelijk van Francesco Gonzaga met Margherita di Savoia (Turijn, februari 1608) en hun plechtige intocht in Mantua (mei 1608) stonden grootse festiviteiten op stapel, met veel theateractiviteiten. Voor een productie van Giovanni Battista Guarini’s toneelstuk L’idropica moest Monteverdi, sinds 1601 kapelmeester, een proloog en een ballet componeren. Maar belangrijker waren de opdrachten voor een nieuwe opera, L’Arianna, en een hofballet, Il ballo delle Ingrate.

Megaspektakel

Voor de titelrol – de eerste echte operaheldin – van L’Arianna, op een libretto door Ottavio Rinuccini, was de hoogbegaafde Caterina Martinelli geëngageerd. Tot grote verslagenheid van alle betrokkenen stierf zij echter in maart aan de pokken. Uitkomst werd geboden door een actrice, die aan het repeteren was voor L’idropica: Virginia Ramponi Andreini – artiestennaam ‘La Florinda’ – leerde de omvangrijke partij in slechts zes dagen. Teseo was de tenor Francesco Rasi, die het jaar daarvoor ook de titelrol in Monteverdi’s L’Orfeo had vertolkt. Er werd een tijdelijk theater gebouwd, dat plaats bood aan 5000 toeschouwers. Nog nooit hadden zoveel mensen een operavoorstelling kunnen zien. Voor het bedienen van de toneelmachines waren meer dan 300 man nodig: een megaspektakel van een geheel andere orde dan het intieme L’Orfeo. Getuigen vertelden hoe prachtig de kostuums, de decors en de regie waren; men prees de vondst van het achter het toneel opgestelde orkest. La Florinda bewoog met haar aangrijpende Lamento (klaagzang) menigeen tot tranen.

In elk huis waar muziek werd gemaakt, was een exemplaar van deze ‘tophit’ te vinden.

Het Lamento werd in 1623 apart gepubliceerd, zonder het koor van de vissers, dat in de oorspronkelijke dialoogversie op Arianna’s jammerklachten had gereageerd. In elk huis waar muziek werd gemaakt, was een exemplaar van deze ‘tophit’ te vinden. Monteverdi maakte er nog twee bewerkingen van: een vijfstemmig madrigaal en een geestelijke versie waarin Maria treurt om de dood van Jezus, de Pianto della Madonna. Zelf noemde hij het Lamento ‘het meest essentiële onderdeel van het werk’ en zag hij het als een mijlpaal in zijn persoonlijke ontwikkeling. In veel Italiaanse opera’s na L’Arianna zitten dergelijk lamento’s; in Monteverdi’s eigen Il ritorno d’Ulisse in patria en L’incoronazione di Poppea worden ze bijvoorbeeld gezongen door Penelope en Ottavia.

Benieuwd naar de repetities van Madrigalen? Bekijk dan deze video!

Harteloze Vrouwen

Een typisch, naar het Franse ballet de cour gemodelleerd hofgenre was de ballo, een voorstelling met zang en dans. Doorgaans danste een aantal prominente hovelingen mee. Bij de bruiloftsfeesten van 1608 in Mantua werd op 4 juni een dergelijk werk van Monteverdi uitgevoerd: Il ballo delle Ingrate (De dans van de Harteloze Vrouwen). Rinuccini schreef ook deze tekst. De kroniekschrijver Federico Follino beschreef hoe er een prachtig vormgegeven balletto werd uitgevoerd, ‘waaraan de hertog en de prins-bruidegom deelnamen, plus zes edellieden en acht dames’.

Zelfs met een betrekkelijk simpel verhaaltje, half schertsend, half ernstig, wist Monteverdi het selecte publiek niet alleen te vermaken maar ook te ontroeren. Opmerkelijk is de overeenkomst met L’Orfeo, waarin het afdalen in de onderwereld en het daaruit weer opstijgen eveneens een belangrijk gegeven is. Op bevel van zijn moeder Venus en met instemming van de god Pluto haalt Amor de Harteloze Vrouwen, die tijdens hun leven de liefde hebben versmaad, naar de bovenwereld als afschrikwekkend voorbeeld. Wanneer ze weer terugkeren naar hun sombere oord, zingt een van de Hartelozen, als laatste achtergebleven, een smartelijk lied, waarin ze het verlies van licht en lucht betreurt. Ze bezweert de aanwezige vrouwen en meisjes hun aanbidders toch vooral genade te schenken. Volgens de overlevering werden hierbij naar menige dame in het publiek veelbetekenende blikken geworpen. Na haar optreden als Arianna wist La Florinda in deze rol opnieuw de harten te raken. Il ballo delle Ingrate is (na een bewerking voor Wenen, 1628) bewaard gebleven in het Achtste Madrigaalboek, dat met recht de ondertitel Madrigali guerrieri, et amorosi draagt.

Een geslaagd experiment

Monteverdi mocht dan in Mantua triomfen hebben geoogst, maar al het uitputtende werk leverde hem in materieel opzicht niets extra’s op. Na de dood van hertog Vincenzo in 1612 trof Francesco Gonzaga een financiële puinhoop aan en voerde in paniek bezuinigingen door. Monteverdi werd ontslagen, maar dankzij zijn magistrale Mariavespers lukte het hem een aanstelling als kapelmeester van de San Marco in Venetië in de wacht te slepen. In die stad vestigde hij zich in 1613 voorgoed.

Een werk dat moeilijk te classificeren valt, is Il combattimento di Tancredi e Clorinda, waarvan de tekst komt uit Tasso’s Gerusalemme liberata. De kruisridder Tancredi is verliefd op de Saraceense Clorinda. Tijdens een tweegevecht doodt hij haar, niet wetend dat zij het is. Vlak voordat zij sterft, laat ze zich door Tancredi dopen, die haar dan pas herkent. In een visioen ziet de stervende hoe de hemel zich opent. Het stuk is bedoeld voor een scenische uitvoering, zoals de componist zelf tot in details beschreef. Om het publiek te overrompelen moesten de zangers, beiden in wapenrusting, onverwacht opkomen, nadat er eerst een aantal madrigalen zonder scenische actie was gezongen: Clorinda te voet en Tancredi te paard (!). De Testo (Verteller) begon meteen te zingen.

De componist benadrukt dat ook de begeleiding deze razendsnelle passages precies moet spelen zoals ze genoteerd staan en niets voor het gemak mag weglaten.

De besloten wereldpremière vond plaats in 1624, in de feestzaal van het Venetiaanse Palazzo Mocenigo. De aanwezigen, die nooit iets vergelijkbaars hadden gehoord of gezien, waren buitengewoon enthousiast en geroerd. Het Combattimento demonstreert verschillende, nieuwe manieren waarop emoties en gebeurtenissen muzikaal kunnen worden gerealiseerd. In het beroemd geworden voorwoord bij zijn Achtste Madrigaalboek zette Monteverdi een en ander uiteen, jaren later nog nagenietend van het succes.

Naar analogie van de menselijke stem, met de drie registers hoog, laag en midden, beschrijft hij drie hoofdmanieren waarop muziek expressief kan zijn: concitato (opgewonden), molle (zacht) en moderato (gematigd). Hij beroept zich daarbij op Plato, die de ‘opgewonden’ stijl koppelt aan een dappere man die aan het strijden is (dus een guerriero) en merkt op dat deze schrijftrant bij geen enkele componist vóór hem te vinden is. Een opvallend kenmerk is de verdeling van een maat in vier maal vier zestiende noten op dezelfde toonhoogte. De componist benadrukt dat ook de begeleiding deze razendsnelle passages precies moet spelen zoals ze genoteerd staan en niets voor het gemak mag weglaten. De stile concitato komt eveneens voor in de partij van de Testo, die van de drie zangers overigens de meeste noten heeft. Hij moet zeer getraind zijn in het zingen van Italiaans in een vaak tongbrekend tempo.

Al met al was Tancredi e Clorinda voor Monteverdi een belangrijk en geslaagd experiment in het uitdrukken van contrasterende passies, dat hem aanmoedigde op die weg verder te gaan. Tot aan zijn levenseinde bleef Monteverdi een groot vernieuwer, die reeds in zijn eigen tijd naar waarde werd geschat.

 

Dit artikel werd eerder gepubliceerd in Odeon 106.