Magazine Marc Albrecht over Parsifal
  1. Magazine
  2. Marc Albrecht over Parsifal
  • michel khalifa
  • 02 Jan 2017
  • Leestijd: 5 minuten

Marc Albrecht over Parsifal

Na zijn bejubelde Meistersinger dirigeerde Marc Albrecht in december 2016 Parsifal in Amsterdam. De gezamenlijke chef van De Nationale Opera en het Nederlands Philharmonisch Orkest is van jongs af aan door Wagners laatste muziekdrama gefascineerd. “De muziek van Parsifal bezit een unieke kleur en warmte.”

Als twaalfjarige verkende Marc Albrecht al de partituur van Parsifal aan de piano. Hij zong daarbij alle rollen en bedacht in zijn hoofd elementaire regieaanwijzingen. Enkele jaren later speelde hij als trombonist mee in het off-stage ensemble van koperblazers terwijl zijn vader – componist en dirigent George Alexander Albrecht – de algehele leiding had.

Parsifal heeft een heel speciale aura”, zegt Marc Albrecht in zijn sobere werkkamer bij Nationale Opera & Ballet. “De muziek schept haar eigen spirituele plek. Daarbij speelt de akoestiek een wezenlijke rol, als in een denkbeeldige kathedraal. Er is een sleutelzin in de eerste akte waarbij Gurnemanz tegen Parsifal zegt: ‘Du siehst, mein Sohn, zum Raum wird hier die Zeit.’ Eigenlijk gebeurt precies hetzelfde in de partituur: de muziek vraagt om adem en rustpunten en schept daardoor ruimte vanuit de tijd. Het is alsof de voorstelling pas verder kan gaan als de juiste klank in de zaal geklonken heeft. In die zin is het musiceren in Parsifal nauw verbonden met de ruimte waarin het stuk wordt uitgevoerd.”

Parsifal heeft een heel speciale aura

Zoals bekend bedacht Wagner Parsifal als ‘Bühnenweihfestspiel’ (festival ter inwijding van een toneel) voor zijn eigen gloednieuwe theater in Bayreuth. Hij verbood daarbij geënsceneerde producties elders. Onder streng toezicht van zijn weduwe Cosima bleef deze bepaling van kracht tot eind 1913, dertig jaar na de dood van de componist.

Bijzondere orkestopstelling

Terwijl Albrecht vanzelfsprekend dankbaar is dat de ban een eeuw geleden opgeheven kon worden, benadrukt hij wel dat elke zaal bij Parsifal nog meer dan bij andere opera’s de orkestklank zorgvuldig op de mogelijkheden van het gebouw moet afstemmen. Dit heeft onder meer grote gevolgen voor de opstelling van de musici in de orkestbak. “Bij DNO stellen we doorgaans de houtblazers links op en de koperblazers rechts. Dit maakt een directe, pregnante blazersklank mogelijk, wat bijvoorbeeld in opera’s van Verdi uitstekend werkt. Voor Parsifal daarentegen verplaatsen we alle blazers naar achteren, zodat zij de strijkers als het ware omhelzen. De contrabassen verhuizen van middenachter naar rechts. Met vereende blazers hoop ik te bereiken dat de verschillende orkestpartijen met elkaar samensmelten en dat het gehele orkest als een orgel klinkt.”

Marc Albrecht vindt dat de dirigent van Parsifal de musici niet alleen in traditionele zin moet leiden, maar ze vooral bewust moet maken van hun steeds veranderende onderlinge interactie. Dan pas kunnen de gewenste schakeringen in dynamiek en klankkleur tot stand komen.

Deze muziek heeft veel ‘souffle’ nodig, ik bedoel: adem

“Het recept van Parsifal is dat alle veranderingen in klankkleur soepel en gelijkmatig moeten verlopen. Elke orkestmusicus moet zich dan ook zeer bewust zijn van zijn rol in het geheel. Op een bepaald moment zal bijvoorbeeld de derde hobo precies met de altviolen moeten mengen. Hoewel Parsifal speeltechnisch minder veeleisend is dan Götterdämmerung of Tristan, is het een zeer fijngevoelige partituur, waarin de kleinste nuances van groot belang zijn. Deze muziek heeft veel ‘souffle’ nodig, ik bedoel: adem.”

Dat er een woordje Frans in het Engels van de Duitse dirigent sluipt, is niet verwonderlijk. Toen hij zijn partituur van Parsifal opnieuw ging bestuderen, trof Albrecht er veel aantekeningen van zijn hand in de taal van Molière. En dat terwijl de enige productie die hij tot nu toe dirigeerde in Dresden plaatsvond, zo’n vijftien jaar geleden.“Vreemd genoeg denk ik bij Parsifal vaak aan Franse muziek. Er zitten talrijke anticipaties van impressionistische klanken in de partituur. Het is volgens mij geen toeval dat veel Franse componisten op bedevaart naar Bayreuth gingen. Hele pagina’s van Debussy’s opera Pelléas et Mélisande bijvoorbeeld verraden zijn Parsifal-ervaring. Met Parsifal tekent Wagner weliswaar voor een van de laatste hoogtepunten van de Duitse laat- Romantiek, maar hij opent tegelijkertijd de weg voor een nieuw muzikaal tijdperk.”

Bekijk hier de trailer van Parsifal (2016).

Doorzichtig

Het unieke aan de muziek van Parsifal binnen het oeuvre van Wagner is volgens Albrecht dat de componist hier voor langere tijd de orkestrale lijnen aan een groep instrumentalisten toevertrouwt, bijvoorbeeld strijkers alleen of houtblazers alleen. Wederom de analogie met het orgel: “Het is alsof Wagner verschillende manualen beurtelings gebruikt. Dat het klankweefsel soms dun lijkt, komt doordat Wagner de muziek zich op een contemplatieve manier laat ontvouwen. Veel momenten zijn erg doorzichtig. Wagner had het geheel met allerlei kruiden kunnen oppeppen, net als in Tristan of de Ring, maar hij ziet daar bewust van af. Hij hoeft in Parsifal niets meer te bewijzen.”

“Deze berusting geldt natuurlijk niet voor de tweede akte, die conform het libretto teruggrijpt op de dwingende urgentie, verleiding en erotische stuwingskracht van Tristan. Hier voegt de keukentovenaar Wagner als van oudsher veel kruiden toe aan zijn mengsel. Na deze luidruchtige catharsis maakt de terugkeer naar transparantie en licht in de derde akte een onvergetelijke indruk. Ook al speelt dit laatste bedrijf zich vele jaren later af, het deelt met het eerste bedrijf dezelfde dramatische structuur, met Gurnemanz als meesterbrein, en een extreem warm licht.”

Schakelen

Zangtechnisch eist Wagner veel van de hoofdrollen, meent Albrecht, omdat ze in de loop van de drie bedrijven moeten schakelen tussen de intimiteit van een lyrisch liedrecital en vocale uitbarstingen. “De zangers hebben ongelofelijk veel energie nodig, maar ik vraag ze vooral om kleur en contrast, zodat de complexe tekst de juiste emotie en wendbaarheid krijgt. Het gaat in Parsifal niet zo zeer om accenten en verticale impulsen, maar vooral om het gevoel voor de melodische lijn en om de juiste frasering binnen een steeds veranderend tempo.”

Marc Albrecht zag in 2012 de enscenering van Pierre Audi, die in 2016 bij Nationale Opera & Ballet in reprise ging. “Pierre geeft ook ditmaal veel ruimte aan de muziek. Ik waardeer zijn serene en sobere kijk op Parsifal en weet nog dat het decor van Anish Kapoor grote indruk op mij maakte, met name de enorme spiegel in de tweede akte.”

 

Dit artikel werd eerder gepubliceerd in Odeon 104.