Magazine De roerige geschiedenis van Das Floss der Medusa
  1. Magazine
  2. De roerige geschiedenis van Das Floss der Medusa
  • Jacqueline Oskamp
  • 02 Mar 2018
  • Leestijd: 6 minuten

De roerige geschiedenis van Das Floss der Medusa

‘Niet musea, operahuizen en wereldpremières zijn noodzakelijk… noodzakelijk is de verwerkelijking van het grootste kunstwerk der mensheid: de wereldrevolutie.’ Aldus de Duitse componist Hans Werner Henze (1926-2012) in het tijdschrift Der Spiegel een week na de première van zijn Floß der Medusa.

Journaliste Jacqueline Oskamp duikt in de roerige geschiedenis van Das Floß der Medusa.

De eerste uitvoering van dit ‘Oratorio volgare e militare’ op 9 december 1968 heeft niet tot de zo gewenste internationale arbeidersopstand geleid, maar wel tot een hoop tumult in de Hamburgse zaal, waar bezoekers elkaar uitmaken voor ‘fascisten’ en ‘nazi’s’, en als contrapunt ‘Nieder mit den Roten!’ klinkt. De politie verricht diverse arrestaties, onder wie de librettist Ernst Schnabel, en het blijft bij de radiouitzending van de generale repetitie. Pas op 29 januari 1971 ziet Das Floß der Medusa officieel het licht.

Eclectisch idioom

Op het moment dat Henze begint aan het componeren van deze ‘parabel van winnaars en verliezers van het kapitalisme’, is hij beslist geen jonge onbezonnen hemelbestormer meer. Hij is 42 jaar oud en een succesvolle componist, die in alle opzichten zijn eigen weg gaat. In 1953 besluit hij naar Italië te verhuizen, omdat hij zich niet thuis voelt in het naoorlogse Duitsland onder bondskanselier Adenauer. In muzikaal opzicht heeft hij zich afgewend van het dominante serialisme van de jonge modernisten.

Hoewel Henze wel degelijk de legendarische Ferienkurse in Darmstadt bezoekt en zich onder leiding van componist René Leibowitz verdiept in de twaalftoonstechniek, kiest hij voor een eclectisch idioom – muziek die geen breuk vormt met de traditie maar juist volop ruimte geeft aan de ‘oude’ muziekliteratuur.

Bij de première van Henzes Nachtstücke und Arien in 1957 in Donaueschingen verlaten Pierre Boulez, Luigi Nono en Karlheinz Stockhausen De Nationale Opera, Holland Festival, Koninklijk Conservatorium en de Stockhausen Stiftung für Musik brengen tijdens het Holland Festival 2019 aus LICHT, een selectie uit de operacyclus LICHT van Karlheinz Stockhausen (1928-2007), in een voorstelling op drie achtereenvolgende dagen: in totaal 15  uur muziek. – de drie vaandeldragers van de nieuwe muziek – demonstratief de zaal uit protest tegen zoveel conservatisme. In een lezing in 1963 aan de universiteit van Berlijn legt Henze uit dat aan zijn orkestwerken altijd de traditionele symfonie ten grondslag heeft gelegen: ‘In mijn wereld proberen oude vormen opnieuw betekenis te krijgen, zelfs als de moderne klank van de muziek hen verhindert aan de oppervlakte te verschijnen.’

Politiek betrokken

Deze benadering blijkt vruchtbaar. Henze schrijft muziek voor Leonard Bernstein en de New York Philharmonic, hij dirigeert zijn vijf symfonieën bij de Berliner Philharmoniker en zijn opera Die Bassariden gaat in 1966 in première op de Salzburger Festspiele. In de jaren zestig gaat hij zich steeds intensiever met politiek bezighouden. In 1965 ondersteunt hij Willy Brandt bij zijn verkiezingscampagne, hij is betrokken bij een Berlijns congres tegen de oorlog in Vietnam en hij raakt bevriend met de studentenleider Rudi Dutschke, die hij na de aanslag op diens leven in april 1968 onderdak biedt in zijn villa La Leprara in Marino, vlakbij Rome.

Slachtoffer van de harteloosheid

Het hoeft dus niet te verbazen dat het iconische schilderij Le radeau de la Méduse uit 1819 van Théodore Géricault hem tot de verbeelding spreekt. Het vijfendertig vierkante meter grote doek, dat in het Parijse Louvre hangt, toont de gruwelijke wederwaardigheden van een groep schipbreukelingen die door de kapitein van het gelijknamige schip, dat namens de Franse regering op weg is om de Engelse kolonie Senegal te heroveren, aan haar lot is overgelaten voor de kust van Mauretanië.

Van de ruim honderdvijftig lotgenoten zullen slechts vijftien mensen – en dat alleen dankzij een nietsontziende overlevingsdrift, inclusief kannibalisme – , weer voet aan wal zetten. Henze gaat het om de commandant die zijn hooggeplaatste passagiers in een solide reddingsboot zet en het voetvolk, de matrozen en soldaten, op volle zee laat creperen. ‘De stervenden zijn de mensen uit de Derde Wereld’, schrijft hij, ‘slachtoffer van de harteloosheid van egoïsten uit de wereld van de rijken en machtigen’.

Ernst Schnabel verwerkt in het libretto het dagboek van Henri Savigny (een chirurg die overleeft), citaten uit Dantes Divina Commedia, teksten van de filosoof Blaise Pascal en verwijzingen naar het doek van Géricault. Henze: ‘Schnabel en ik hebben het werk als een allegorie beschouwd: de strijd om het naakte leven, waaruit later een strijdbare geest zal voortkomen en de vastberadenheid om die onverdraaglijke verhoudingen te veranderen.’

 

Zie het magistrale koor aan het werk

Heftige discussie

In het radicale Duitsland van de jaren zestig gaat deze stellingname velen lang niet ver genoeg. Der Spiegel publiceert op de dag van de première van Das Floß der Medusa een artikel waarin Henze wordt verweten zijn oratorium niet voor fabrieksarbeiders op te voeren: ‘Zijn publiek komt in smoking en nerts, in het dure Salzburg en Edinburgh, in de Berlijnse Philharmonie en in het Amsterdamse Concertgebouw. Het bijt niet op de nagels en het ruikt niet naar een achturige werkdag.’

Ook de studentenbeweging maakt zich kwaad. Voorafgaand aan de première heeft zich een heftige discussie afgespeeld tussen de Hamburgse conservatoriumstudenten die Henze als een renegaat willen ontmaskeren en de Berlijnse ‘Projektgruppe Kultur und Revolution’ die het burgerlijke muziekbedrijf in het algemeen wil ontwrichten. Uiteindelijk ziet de radicale Hamburgse vleugel af van het voornemen om tijdens het concert van de componist uitleg te eisen over de muzikale structuur, in te vallen bij de koorzang en het publiek (de ‘Scheiß-Reichen’) als ‘culinaire Henze-consumenten’ af te schilderen.

Spreekkoor

Dat het in de zaal toch onmiddellijk uit de hand loopt, komt doordat Henze ermee heeft ingestemd om in het programmaboek niet te vermelden dat het stuk is opgedragen aan Che Guevara, de in 1967 vermoorde Argentijnse marxistische revolutionair. De studenten rollen een affiche uit van Che Guevara en bevestigen dit aan de bok, vergezeld van een rode vlag. Anarchisten planten daarnaast een zwarte vlag.

Hans Werner Henze memoreert in zijn autobiografie uit 1996 hoe hij samen met de solisten het podium betreedt om het concert te beginnen: [Ik] ‘verzoek het publiek om rust, het wordt daadwerkelijk stil in de zaal, en ik bereid de opmaat voor de eerste orkestinzet voor. Dan hoor ik, eerst pianissimo, dan duidelijker en luider een spreekkoor. Waar komt het vandaan? Het komt – ik geloof mijn oren niet – van het podium: de dames en heren van het Berlijnse RIAS Kammerchor, die lieve mensen met wie ik toch vaker allervreedzaamst heb gemusiceerd, scanderen unisono: ‘Die vlag weg! Die vlag weg!’’ Het koor verlaat het podium want zingen onder een rode vlag, die thuis ook op de Brandenburger Tor hangt, dat ging te ver.

Ondertussen is de oproerpolitie in de zaal bezig in te grijpen, Henze loopt terug naar het podium en valt het opstandige publiek bij in het naar de Vietnamoorlog verwijzende spreekkoor: Ho-Ho-Ho Chi Minh.

Verschroeiende kracht

De recensies, gebaseerd op de radio-uitzending met onder anderen Dietrich Fischer-Diskau in de rol van de matroos Jean Charles, zijn weinig lovend: de Süddeutsche Zeitung spreekt van ‘de zwevend iriserende Henze-klank, die geen pijn doet en nooit markant wordt en merkwaardig genoeg aan Richard Strauss herinnert’, een andere recensent bespeurt ‘hobbelig’ gecomponeerde recitatieven en Henze-biograaf Klaus Geitel zag Das Floß drijven in een ‘oceaan van vindingrijke, maar al te uitgesponnen, lyrisch ingekleurde monotonie’.

Hoe anders is de receptie in 2014 als Das Floß der Medusa voor het eerst in Nederland klinkt in de ZaterdagMatinee. Het onderwerp is in onze tijd, waarin de Middellandse Zee fungeert als kerkhof voor duizenden verdronken vluchtelingen, weer even actueel als in 1819 en 1968 Lees meer over actualiteit van de uitvoering tijdens Opera Forward Festival in Een politieke benadering van Das Floss der Medusa . En nu geldt het 250 musici en koorzangers vergende oratorium volgens de critici van onder meer Het Parool als een ontdekking: ‘een meeslepend en warmbloedig werk’ met ‘een verschroeiende kracht’ en ‘een woest, atonaal fresco’.

 

Dit artikel werd eerder gepubliceerd in Odeon 109.