Magazine Van castraat tot countertenor
  1. Magazine
  2. Van castraat tot countertenor
  • Jasmijn van Wijnen
  • 13 Dec 2019
  • Leestijd: 6 minuten

Van castraat tot countertenor

Vroeger werden er jongens voor hun puberteit gecastreerd zodat ze mooi hoog konden blijven zingen. De rollen Bertarido en Unulfo in Rodelinda werden oorspronkelijk geschreven voor castraatzangers. De castraat werd in zijn tijd gezien als idool én monster. Tegenwoordig worden de castraatrollen meestal door (mannelijke) countertenors of (vrouwelijke) mezzosopranen gezongen en is deze gruwelijke praktijk nog slechts een intrigerend verhaal uit de muziekgeschiedenisboeken. 

Als oplossing voor het verbod op zingende vrouwen in de kerk, werden in de 15e-eeuwse kerkelijke muziek de altstemmen door falsettisten gezongen en de sopraanstemmen door koorknapen. Maar de muzikale stijl werd steeds veeleisender en de omvang en virtuositeit van de partijen groter. Bovendien waren de koorknapen slechts enkele jaren in staat de partijen te zingen, doordat hun stem tijdens de puberteit ‘brak’, net wanneer ze door hun opleiding het beste op de muziek voorbereid waren. De oplossing voor dit probleem was een gruwelijke: Vóór de puberteit werden de jongens gecastreerd. De ingreep beïnvloedde de hormoonhuishouding, wat er vervolgens voor zorgde dat het strottenhoofd klein breef. De rest van het lichaam groeide wel door. Het maakte de castraten tot zangers met een mooie, hoge stem (sopraan, mezzo of alt) in combinatie met de ademsteun van een volwassen man. De castraat werd ook wel 'canaro elefante' genoemd: een kanariestem in het lichaam van een olifant.

Castratie-industrie

Het castreren werd heel populair. Er ontstond in Italië een hele industrie die alle Europese hoven, kerken, opera- en concertgebouwen van castraatzangers voorzag. In 1770 werden er zo’n vierduizend jongetjes per jaar gecastreerd. Slechts sommigen werden ook daadwerkelijk succesvolle zangers. In de basis was natuurlijk nog steeds een bepaald niveau van vocaal en muzikaal talent nodig, wat veel armere ouders – die in de operatie een verdienmodel zagen – vaak vergaten. De operatie was bovendien op papier illegaal. Dit nam echter niet weg dat deze toch werd uitgevoerd. In de praktijk nam de kerk regelmatig de financiering van de operaties van zijn meest succesvolle koorzangers op zich.

Stercastraat Senesino

Händel is een van de componisten die veelvuldig gebruik heeft gemaakt van castraatstemmen in zijn composities. Hij schreef de partijen precies op de stemmen van de zangers die hij tot zijn beschikking had. Francesco Bernardi (1686-1758), bekend onder zijn bijnaam Senesino (omdat hij uit Siena kwam), is daar een voorbeeld van. Hij begon in 1695 als koorjongen in de kathedraal van Siena en werd vier jaar later gecastreerd op kosten van deze kathedraal. Vijftig lire kostte de operatie, die werd uitgevoerd door een ‘norcino’, een term die ook gebruikt werd om iemand die varkens castreerde mee aan te duiden. Senesino ontwikkelde zich tot een van de bekendste en meest succesvolle castraten uit de muziekgeschiedenis. Hij zong eerst aan het hof van Dresden en werd toen onderdeel van Händels operagezelschap in Londen. Daar zong hij Radamisto in 1720 en de premières van Giulio Cesare, Orlando en Rodelinda. Händel schreef de rol van Bertarido speciaal voor Senesino.

Farinelli

Nog een groot voorbeeld is de stercastraat Farinelli (1705-1782). Van hem zijn een aantal persoonlijke versieringen en cadensen bewaard gebleven. Hieruit valt op te maken dat de virtuositeit van een goed ontwikkelde castraatstem haast geen grenzen kende en zijn stemomvang enorm kon zijn. Door de concurrentiestrijd tussen Händel en tijdgenoot Nicola Porpora in Londen, kreeg Händel echter nooit de kans muziek voor Farinelli te schrijven.

Farinelli

Falsettisten

De stem van de castraat was krachtig – krachtiger dan die van een zanger die falset zong, zoals countertenoren – en daardoor geschikt om zowel grote kerken als operahuizen te kunnen vullen. Al snel werden de castraatzangers grote sterren in het operagenre. In de vocale esthetiek van de vroege 18e eeuw werden castraattemmen gezien als de perfecte afspiegeling van jeugdigheid en heldendom, wat ervoor zorgde dat castraten veelgebruikte vertolkers van goden-, helden- en prinsenrollen werden. In die tijd gold zowel op het podium als achter de schermen een hiërarchische verdeling van hoge naar lage stemmen en resultaat hiervan was dat castrati in de opera seria van de achttiende eeuw een hogere status en beter salaris kregen toebedeeld dan hun vrouwelijke tegenspelers, de 'prime donne'.

Senesino arriveert in Engeland

Van operaster tot lachertje

Met de opkomst van de Verlichting, de bijbehorende hang naar het natuurlijke én de groeiende populariteit van de opera buffa, veranderde deze positie totaal. Plotseling werd de stem van de castraat gezien als vreemd en onnatuurlijk: hij viel immers niet te categoriseren als mannen- of vrouwenstem. In de operacontext veranderde naast de kostuums, decors en de muziek, tevens de gehele vocale esthetiek. Nieuwe componisten verkozen een versimpelde vocale stijl boven de typische manier van zingen van de castrati. Het handelsmerk van de castraat werd nu ineens niet meer gewaardeerd en de algehele vraag naar natuurlijkheid op het podium zorgde er uiteindelijk voor dat de ‘onnatuurlijke’ castraat van het operapodium werd uitgesloten. Men wilde ‘echte’ mensen op het podium zien in plaats van mythologische of historische figuren. Dankzij een economische opleving in Italië was er zicht op betere toekomstperspectieven, waardoor armere ouders, die eerder castratie van hun zonen overwogen, nu andere financiële mogelijkheden zagen. Bovendien zette Napoleon de doodstraf op de verminkende operatie, die eigenlijk altijd al verboden was, maar tot dan toe werd gedoogd. Ensembles wonnen in composities aan populariteit. De vraag naar een meer gebalanceerd geluid groeide, opgebouwd uit stemmen van verschillende registers. In Londen werd het definitieve einde van de glorietijd van de castraat pijnlijk duidelijk in 1824, toen Giovanni Battista Velluti het podium betrad in Meyerbeers opera Il crociato in Egitto en glashard werd uitgelachen.

Bejun Mehta, countertenor - Rodelinda 2019

Countertenor

Het is gelukkig niet zo dat de ‘val’ van de castraatzanger ook de ondergang van de voor castraatstemmen geschreven muziek betekende. De rollen die oorspronkelijk voor de castraatzangers waren bedoeld, worden nu soms door mezzosopranen vertolkt, maar vaker door countertenoren. Een countertenor is in staat om middels een speciale techniek – waaraan gelukkig geen operatie meer te pas hoeft te komen – in zijn falsetregister te zingen. Hij kan zijn strottenhoofd kantelen, waardoor een helder en slank geluid ontstaat, wat doet denken aan de flageolet op een strijkinstrument. Op deze manier komt de stem van de countertenor enigszins in de buurt van de klankkleur van een castraat en kan de countertenor de rollen vertolken die oorspronkelijk bedoeld waren voor castraten.

Alessandro Moreschi

We zullen er nooit helemaal achterkomen wat er precies zo magisch was aan de castraatstem – de enige documentatie van het fenomeen is een reeks opnames van de castraat Alessandro Moreschi (1858-1922) uit 1904-1906. De opnames van Moreschi – die zijn vocale piek al achter de rug had én wellicht in de eerste plaats nooit zo'n goede zanger is geweest – zijn van een dusdanig slechte kwaliteit dat we er niet veel wijzer van worden.

Wat we wel weten is dat de techniek van de countertenor een uitkomst biedt voor die mannenrollen die een hoog stemgeluid vereisen, waarvan Bertarido en Unulfo in Rodelinda twee voorbeelden zijn. En hoewel we tegenwoordig minder gewend zijn aan hoge stemmen als vertolkers van machtige mannenrollen – waar in de Barok de castraatstem met heroïsme en mannelijkheid geassocieerd werd, zijn de hedendaagse connotaties eerder het tegenovergestelde hiervan – komen we met de countertenoren in Rodelinda wel in de buurt van hoe de rollen in de Barokopera geklonken moeten hebben.

Alessandro Moreschi zingt Ave Maria

Dit artikel verscheen in ons Vriendenmagazine