De Nationale Opera presenteert

KÁT'A KABANOVÁ LEOŠ JANÁČEK (1854-1928)

Deze productie was te zien in mei 2000

Kát'a Kabanová

Leoš Janácek
Oper o 3 jednánich / Opera in 3 bedrijven
Libretto van Leos Janácek
Wereldpremière 23 november 1921, Nationaltheater, Brno

Deze productie

Nieuwe productie
Première 5 mei 2000

Het verhaal

EERSTE BEDRIJF

Kát’a Kabanová wil een innerlijke drang vol­gen en zich bevrijden van de strenge morele druk waar zij onder leeft. De leraar Kudrjás kan tenminste van de natuur genieten; Boris Grigor­jevic daaren­tegen moet zich de beledigingen van zijn oom Dikoj laten welgevallen, want hij is financieel van hem afhankelijk. Daarbij komt dat Boris verliefd is op een ge­trouwde vrouw: Kát’a Kaba­nová. Kát’a wordt in haar verlangen naar vrijheid belemmerd door haar zwakke echt­genoot Tichon en haar tyrannieke schoonmoeder Kabanicha. Deze laatste verwijt haar zoon dat hij meer van zijn vrouw houdt dan van haar. Ook maant zij hem strenger tegen Kát’a te zijn, want volgens Kabanicha respecteert zij Tichon niet genoeg. Varvara, die als pleegdochter bij de Kabanovs in huis woont, toont begrip voor Kát’a’s situatie. Dat Tichon zijn vrouw niet beschermt tegen de hatelijkheden van haar schoonmoeder, kan zij niet begrijpen.
 
In haar dromen is Kát’a vrij, dan kan ze vliegen als een vogel. Geconfronteerd met de werkelijkheid wordt ze steeds weer door schuldgevoelens gekweld. De gedachte dat ze misschien van een andere man houdt, boezemt haar angst in. Varvara echter moedigt Kát’a aan om aan haar verlangen toe te geven. Als Tichon voor zaken op reis moet, smeekt Kát’a hem thuis te blijven. Ze is bang dat er iets vreselijks zou kunnen gebeuren. Kabanicha eist van haar zoon dat hij zijn vrouw vertelt hoe deze zich ­tijdens zijn af­wezigheid te gedragen heeft.
 
 
TWEEDE BEDRIJF
 
Kabanicha heeft kritiek op Kát’a’s houding na het afscheid van haar man, die niet strookt met de goede zeden. Varvara heeft stiekem de sleutel van de tuinpoort weg­gepakt en geeft deze aan Kát’a. Zo zou ze Boris heimelijk ’s nachts kunnen ontmoeten; Varvara zal zorgen dat hij bij het poortje komt. Kát’a is ontzet, maar voelt tegelijker­tijd een onweerstaanbare ver­leiding. Ze beschouwt het als een teken van het lot en rent weg. De beschonken Dikoj zoekt troost bij Kabanicha. Hij heeft een van zijn ­boeren niet uitbetaald en had hem bijna ge­slagen. Nu wil hij ‘boete’ doen. Zolang hij de goede zeden in acht neemt, is Kabanicha bereid hem te verhoren.
 
Terwijl Kudrjás op Varvara wacht, vertelt Boris hem over zijn aanstaande rendez-vous met Kát’a. De beide jongeren herkennen elkaar aan een afgesproken volksliedje en verdwijnen in de nacht. Ook Kátˇa komt op de afgesproken plek. Eerst wijst zij Boris’ toenaderingspogingen af, maar dan kan ze zich niet langer inhouden. Eindelijk kan ze iemand haar emoties tonen. Nadat Varvara aan Kudrjás heeft toegegeven dat zij dit alles op touw heeft gezet, maakt hij Boris en Kát’a met een ander liedje duidelijk dat het tijd is om afscheid van elkaar te nemen.
 
 
DERDE BEDRIJF
 
Het is noodweer en Kudrjás en Kuligin hebben beschutting gezocht. Ook Dikoj voegt zich bij hen. Als Kudrjás hem wil uitleggen hoe men dankzij de modernste natuurkundige inzichten de bliksem kan beheersen, doet Dikoj dit als ketterij af. Varvara wil Boris waarschuwen dat Tichon voortijdig terug is gekomen, want zij vreest dat Kát’a hem uit louter schuldgevoelens alles zal opbiechten. En inderdaad bekent Kát’a zowel aan haar man als diens moeder dat zij de afgelopen tien nachten met Boris heeft door­gebracht. Dan vlucht ze naar buiten, het noodweer in.
 
Terwijl de anderen naar de spoorloos ver­dwe­nen Kát’a op zoek zijn, maken Varvara en Kudrjás zich gereed om in Moskou een nieuw leven te beginnen. Kát’a wil Boris nog één keer zien. De wens te leven en de angst door anderen gekwetst te worden, maken haar ­verscheurdheid ondraaglijk. Kát’a en Boris ­ontmoeten elkaar inderdaad nog één keer, maar er is geen gezamenlijke toekomst: Boris is door zijn oom Dikoj naar Siberië verbannen. Hij kan Kát’a niet meenemen. Nog eenmaal denkt Kátˇa aan de vrijheid van de vogels, dan springt ze in de rivier. Als Tichon zijn moeder beschuldigt van Kát’a’s dood, wijst deze haar zoon opnieuw terecht, geeft uiterlijk geen krimp en dankt allen voor hun hulp.

Team, Cast en Koor

Muzikale leiding 
Edo de Waart
Regie 
Willy Decker
Decor en kostuums 
Wolfgang Gussmann
Licht 
Hans Toelstede
Dramaturgie 
Klaus Bertisch
Orkest 
Radio Filharmonisch Orkest
Koor 
Koor van De Nederlandse Opera
Instudering koor 
Brian Fieldhouse
Savjol Prokofjevic Dikoj 
Frode Olsen
Boris Grigorjevic 
David Kuebler
Marfa Ignatevna Kabanova (Kabanicha) 
Dame Josephine Barstow
Tichon Ivanyc Kabanov 
Hubert Delamboye
Katerina (Kat’a) 
Susan Chilcott
Vana Kudrjas 
Rainer Trost
Varvara 
Charlotte Hellekant
Kuligin 
Robert Poulton
Glasa 
Corinne Romijn
Feklusa 
Klara Uleman
Zena 
Inez Hafkamp
Muz 
Bert Visser