De Nationale Opera presenteert

Boris Godoenov Modest Moesorgski (1839-1881)

Deze productie was te zien in september 2008

Boris Godoenov

Modest Petrovitsj Moesorgksi
Opera in zeven scènes (versie 1869)
Libretto van Modest Petrovitsj Moesorgski, naar Alexander Poesjkin en Nikolaj Karamzin
Wereldpremière 16 februari 1928, Staatsacademisch Theater voor Opera en Ballet, Leningrad

 

DEZE PRODUCTIE

Reprise uit 2000/01
Première 29 september 2008

Over de opera

Moesorgski koos Poesjkins toneelstuk over de tsaar Boris als uitgangspunt voor zijn opera, waarin een veelbewogen periode uit de Russische geschiedenis tot een drama rond een gespleten persoonlijkheid wordt gecomprimeerd. Boris wordt tot de nieuwe tsaar benoemd nadat hij de troonopvolger heeft laten vermoorden. Terwijl hij duidelijk vooruitstrevend gezind was, laten de schaduwen van het verleden hem niet met rust. Mede hierdoor was hij gedoemd om als regent te falen. De caleidoscopische opeenvolging van taferelen doet een beeld ontstaan van een heerser in isolement en een onmondig volk in verwarring. Door de psychologische benadering stijgt het werk boven het concrete historische kader uit en behoudt het zijn actualiteit.

Het verhaal

I
Het volk hangt rond voor de poorten van het klooster waarin Boris Godoenov zich terugtrok om niet te worden verdacht van de moord op de jonge troonopvolger Dimitri. Boris’ agenten stoken het volk op hem te vragen hun nieuwe tsaar te worden. Boris wordt tot tsaar gekroond, maar schuldgevoelens en vrees voor de toekomst kwellen hem. Hij smeekt God om diens zegen over land en volk, en belooft een groot kroningsfeest.

II
Jaren later schrijft de monnik Pimen een kroniek over de Russische geschiedenis. Zijn verhaal over de moord op Dimitri wekt de eerzucht van de jonge monnik Grigori. Deze zweert wraak, verlaat het klooster en geeft zich uit voor Dimitri.

III
Boris troost zijn dochter met het verlies van haar aanstaande man. De bojaar Sjoejski speelt handig in op Boris’ nog altijd gekwelde geweten en drijft hem bijna tot waanzin.

IV
Het wantrouwige volk schaart zich achter de valse troonpretendent Dimitri. De heilige dwaas Joerodivy, beroofd van een geldstuk, dringt er bij Boris op aan de dieven te doden zoals hij destijds de troonopvolger Dimitri vermoordde. Boris vraagt hem voor zijn zielenheil te bidden. Sjoejski probeert de verzamelde bojaren hun zojuist uitgeroepen verordening tegen de valse Dimitri te doen intrekken. Door Pimen herinnerd aan de moord op de echte Dimitri vervalt Boris in waanzin, vertrouwt zijn eigen zoon Feodor aan de zorg van de bojaren toe, en sterft.

Team, Cast en Koor

Muzikale leiding 
Alexander Lazarev
Regie 
Willy Decker
Decor en kostuums 
John MacFarlane
Licht 
David Finn
Dramaturgie 
Klaus Bertisch
Orkest 
Residentie Orkest
Koor 
Koor van De Nederlandse Opera
Instudering koor 
Martin Wright
Kinderkoor 
De Kickers van Muziekschool Waterland
o.l.v. Jan Maarten Koeman
Boris Godoenov 
John Tomlinson
Feodor 
Brian Asawa
Xenia 
Marina Zyatkova
Xenia’s voedster 
Nina Romanova
Vorst Vasili Ivanovitsj Sjoejski 
Chris Merritt
Andrej Sjtsjelkalov 
Albert Schagidullin
Pimen 
Vladimir Vaneev
De pretendent onder de naam Grigori 
John Daszak
Varlaam 
Werner Van Mechelen
Misail 
Brian Galliford
Herbergierster 
Carole Wilson
Joerodivy 
Alex Grigorev
Nikititsj 
Kurt Gysen
Mitjoecha 
Ian Spencer
Officier van de grenswacht 
Jan Alofs
Bojaar 
Frank Nieuwenkamp

Residentie Orkest

Met zijn nieuwe artistieke profiel bewijst het Residentie Orkest meer dan ooit dat symfonische muziek ook in de 21e eeuw voor een groot en breed publiek van betekenis kan zijn. Het orkest geeft concerten in zijn thuishaven de Dr Anton Philipszaal, Den Haag. Het orkest treedt in toenemende mate op in omliggende gemeenten als Leiden, Gouda en Wassenaar, en is ook veelvuldig te horen op diverse grote podia in binnen- en buitenland. Belangrijk zijn ook de samenwerkingen met Haagse- en nationale partners als het Nationaal Toneel, Festival Classique, Paard van Troje, Gemeentemuseum en De Nederlandse Opera, Nederlandse Opera Academie en de Zaterdagmatinee.

    do 23 jan Mischa Spel, NRC Handelsblad

    ‘Deckers Boris Godoenov was bij De Nederlandse Opera eerder te zien in 2001. De voorstelling werd toen gedragen door bas John Tomlinson en dat geldt voor de reprise opnieuw. Met zijn gruizige bas en filmisch gedetailleerde acteerwerk maakt hij de gewetenswroeging van Boris soms bijna ondraaglijk om aan te zien en te horen. […] Na Messiaens St. François d’Assise realiseert het Residentie Orkest ook in deze Boris kleurrijk spel. De strijkersklank, een hoofdbestanddeel, is warm en onder Alexander Lazarev schakelt het orkest snel en scherpt de zeggingskracht aan. Chris Merritt is opnieuw akelig geloofwaardig als Sjoejski, Brian Asawa aandoenlijk als Fjodor. Onder de ‘nieuwe’ zangers maken Marina Zyatkova (Xenia) en Vladimir Vaneev (Pimen) indruk met hun karakteristieke timbres.’

    do 23 jan Michel Khalifa, Het Parool

    ‘Deckers aanpak werkt het beste in de grote volksscènes aan het begin en aan het eind. Huiveringwekkend zijn de momenten waarop de vermoorde tsarevitsj Dmitri zich bij de menigte voegt. […] Dankzij de homogene cast blijft de productie fier overeind. Net als in 2001 maakt de Britse bas John Tomlinson grote indruk als Boris Godoenov. Zijn stem heeft iets van haar glans verloren, maar hij zingt expressief als vanouds en heeft een fantastische uitstraling. Naast hem schittert bas Vladimir Vaneev als de raadselachtige monnik Pimen. […] De karakterrollen worden prima ingevuld, met een speciale vermelding voor bas-bariton Werner Van Mechelen als dronkenlap Varlaam. Maar de echte held van deze productie is het vrome en wanhopige Russische volk. Het honderdkoppige koor van De Nederlandse Opera, zeer voorbeeldig ingestudeerd door Martin Wright, zingt als één man danwel als één vrouw. In de bak van het Muziektheater heeft dirigent Alexander Lazarev de touwtjes stevig in handen. Hij ontlokt warmbloedige klanken aan het Residentie Orkest, dat acht jaar na het eind van het Svetlanovtijdperk nog steeds vloeiend Russisch spreekt.’

    do 23 jan Bela Luttmer, De Volkskrant

    ‘Uit de vele versies die er van deze opera bestaan, koos Decker de korte oerversie uit 1869, met aanpassingen die de psychische teloorgang van tsaar Boris benadrukken. Vooral de (toegevoegde) scène met zijn eigen kinderen maakt zijn wroeging invoelbaar. Dat de voorstelling desondanks lang en vooral langdradig werd, komt op het conto van de dirigent Alexander Lazarev. […] Het is aan John Tomlinson (62) te danken dat de avond desondanks overeind bleef. De Britse bas speelt en zingt het verval van een leider met een onweerstaanbare oerkracht. De pijn die de aanblik van portretten van het vermoorde tsarenkind bij hem losmaakt, komt aan. Na jarenlang zingen van grote Wagnerpartijen […] heeft zijn stem een ruigere rand gekregen, maar in de combinatie van acteren en zingen is hij als Boris nauwelijks te overtreffen. De grootste rol na Boris is het koor. Met grauwe mensenmassa’s zover het oog reikt, zetten Decker en zijn vormgever John McFarlane het Russische volk scherp af tegen de vergulde praal van de monarch. Ook muzikaal komt die tegenstelling uit de verf, met diep gonzende mannenstemmen tegenover de pure, kaal geïnstrumenteerde zanglijnen van Boris. Het is lastig toeven naast Tomlinson, maar de tenor Chris Merritt hield goed stand als vileine bojaar Sjoejski, en ook de countertenor Brian Asawa en de sopraan Marina Zyatkova gaven hun kinderrollen een eigen kleur. […] Aan het slot van de avond speelt Willy Decker zijn grootste troef uit. Zijn proportiespel projecteert hij dan op de psyche van vorst Boris. De kleine, vermoorde tsarevitsj verschijnt als drogbeeld terug op het podium en staat tegenover de tsaar.’