De Nationale Opera presenteert

DER RING DES NIBELUNGEN Richard Waner (1813-1833)

Deze productie was te zien in juni 1999

DER RING DES NIBELUNGEN

Ein Bühnenfestspiel für drei Tagen und einen Vorabend
Test en muziek van Richard Wagner
Eerste uitvoering van de cyclus augustus 1876 in het Bayreuther Festspielhaus

Deze serie

Das Rheingold
reprise uit het seizoen 1997/1998

Die Walküre
reprise uit het seizoen 1997/1998

Siegfried
reprise uit het seizoen 1997/1998

Götterdämmerung
reprise uit het begin van het seizoen 1998/1999

voorstellingen 1e cyclus
DAS RHEINGOLD: 1 juni
DIE WALKÜRE: 2 juni
SIEGFRIED: 4 juni
GÖTTERDÄMMERUNG: 7 juni
 
voorstellingen 2e cyclus 
DAS RHEINGOLD: 9 juni
DIE WALKÜRE: 10 juni
SIEGFRIED: 12 juni
GÖTTERDÄMMERUNG: 15 juni
 
voorstellingen 3e cyclus 
DAS RHEINGOLD: 17 juni
DIE WALKÜRE: 18 juni
SIEGFRIED: 20 juni
GÖTTERDÄMMERUNG: 23 juni
 
voorstellingen 4e cyclus  
DAS RHEINGOLD: 25 juni 
DIE WALKÜRE: 26 juni 
SIEGFRIED: 28 juni
GÖTTERDÄMMERUNG: 30 juni 

Het verhaal

Vorabend
DAS RHEINGOLD

Eerste tafereel

Op de bodem van de Rijn slaat Alberich de drie Rijndochters verlekkerd gade. Zodra zij de onooglijke gnoom hebben opgemerkt, lokken ze hem beurtelings naar zich toe om hem vervolgens smalend af te wijzen, waardoor hij aan steeds machtelozer woede ten prooi raakt. Ineens breken zonnestralen door het water heen en zetten het Rijngoud in een verblindende gloed. Juichend scharen de nimfen zich rond het goud, dat zij moeten bewaken. Wie deze schat weet te veroveren en er een Ring uit smeedt, zal almachtig worden. Maar... alleen wie de liefde afzweert, kan hierin slagen, en van de wellustige dwerg hebben ze dus niets te duchten, zo menen zij. Deze is echter dermate getergd door zijn mislukte avances dat hij de liefdesvloek uitspreekt en er met de buit vandoor gaat. Tevergeefs zetten de verblufte Rijndochters de achtervolging in.

Tweede tafereel

Nog half dromend houdt Wotan een trotse lofzang op de godenburcht, waarvan de bouw zojuist door de reuzen Fasolt en Fafner voltooid is. Zijn vrouw Fricka herinnert hem er verbolgen aan dat de reuzen als loon haar zuster Freia hebben bedongen. Wotan tracht haar gerust te stellen: hij is nooit serieus van plan geweest Freia af te staan en heeft Loge eropuit gestuurd om een geschikte vervanging te vinden. Fafner en Fasolt komen Freia echter al opeisen. Als Wotan hun voorstelt een ander loon te kiezen, wijst Fasolt hem erop dat hij, als hoeder van verdragen, wel als eerste zijn afspraken moet nakomen. Fafner weet bovendien dat de góden hun eeuwige jeugd te danken hebben aan Freia's gouden appels en dat ze zonder haar zullen sterven: een reden te meer om aan de oorspronkelijke afspraak vast te houden. Terwijl de beide reuzen zich opmaken om Freia mee te nemen, komen haar broers Froh en de dondergod Donner toegesneld. Net heeft Wotan een gewelddadige confrontatie voorkomen of Loge maakt zijn opwachting. Nergens vond hij een passend substituut voor Freia; overal deed hij navraag, maar alom gold de liefde als het hoogste goed. De enige uitzondering was de Nibelung Alberich, die de liefde afzwoer toen hij het Rijngoud roofde.

Hiervan heeft hij inmiddels de almacht verlenende Ring gesmeed. Alle partijen zijn het erover eens dat deze hem moet worden afgenomen. Hiertoe zal Wotan samen met Loge naar Nibelheim afdalen. De reuzen eisen alvast het Rijngoud als losprijs voor Freia, die ze alleen zullen vrijlaten als Wotan hun nog diezelfde avond het goud overhandigt.

Derde tafereel

In het onderaardse Nibelheim laat Alberich het ooit zo zorgeloze Nibelungenvolk dag en nacht zwoegen om goud op te delven en hieruit sieraden te smeden. Ook zijn broer Mime zucht onder dit juk. Alberich heeft hem zojuist een Tarnhelm laten vervaardigen, waarmee de drager zichzelf van gedaante kan doen veranderen. Mime’s plan deze helm zelf te gebruiken om zich van Alberichs tirannie te bevrijden, is verijdeld, zo vertelt hij aan Loge en Wotan, die naar Nibelheim zijn afgedaald.

Alberich zelf treedt de beide indringers vol argwaan tegemoet. Tot een demonstratie van de Tarnhelm laat hij zich echter makkelijk bewegen. Nadat hij eerst in een reusachtig monster is veranderd, tovert hij zichzelf, op Loge’s suggestie, in een kleine pad om. De list is geslaagd: het dier wordt gevangen en de Tarnhelm wordt afgepakt, waarna Wotan en Loge de dwerg meevoeren naar de aarde.

Vierde tafereel

De geknevelde Alberich beveelt de Nibe- lungen de schat naar boven te brengen, die Wotan als losgeld heeft opgeëist. Als hij ten slotte ook de Ring heeft moeten prijsgeven, wordt de dwerg vrijgelaten. Voor h i wegkruipt, spreekt hij echter een vloek uit: zolang de Ring niet aan hem wordt teruggegeven, zal deze de drager ervan enkel ellende en ook de dood bezorgen, terwijl ieder die hem niet bezit door afgunst zal worden verteerd.

Wotan en Loge worden door de andere góden begroet en ook Fasolt en Fafner komen terug. Als losprijs voor Freia eisen zij dat de Nibelungenschat zo hoog wordt opgetast dat de godin volkomen uit hun zicht verdwijnt. Aldus geschiedt, maar steeds ontwaren de hebzuchtige reuzen weer een kiertje waardoor nog net iets van Freia te zien is. Nadat ook de Tarnhelm al is afgestaan, eist Fafner ten slotte de Ring op, die aan Wotans vinger prijkt. Als de god dit weigert, verschijnt Erda, de Oermoeder, om Wotan te waarschuwen voor het onheil dat hij over de góden afroept als hij de vervloekte Ring behoudt. Tot inkeer gebracht, werpt Wotan de Ring op de goud- stapel, en daarmee is Freia vrijgekocht. De beide reuzen raken ogenblikkelijk slaags over de verdeling van de buit. Fafner slaat Fasolt dood en gaat er ijlings met de Ring en de rest van de schat vandoor. De góden blijven ontsteld achter: de vloek is zijn werk begonnen.

Om de benauwde atmosfeer te verdrijven zwaait Donner met zijn machtige hamer.

De nevel trekt op en over het dal strekt zich een prachtige regenboog uit, die naar de godenburcht voert. Net wil Wotan deze brug betreden of tot zijn grote ergernis klinkt uit de diepte het klaaglijk gezang van de Rijndochters op, die het verlies van hun goud bewenen.

 

Erster Tag
DIE WALKÜRE

Sinds Das Rheingold heeft Wotan niet alleen de negen Walküren verwekt, maar ook de tweeling Siegmund en Sieglinde. Deze zijn al jong van elkaar gescheiden, want toen Siegmund en zijn vader op een dag terugkwamen van de jacht, hadden rovers zijn moeder vermoord en zijn zuster ontvoerd. Sieglinde werd uitgehuwelijkt aan Hunding, een van de leden van deze bende. Inmiddels is Siegmund ook het spoor van zijn vader kwijt, en hij wordt voortdurend achtervolgd door rampspoed.

Eerste bedrijf

Tijdens een zwaar onweer vlucht Siegmund de boshut van Hunding binnen, die rond een essenstam is gebouwd. Gewond en wapenloos zijgt hij bij de haard neer. Zo wordt hij aangetroffen door Hundings vrouw, Sieglinde, en beiden voelen onmiddellijk een geheimzinnige band. Als Hunding binnenkomt en Siegmunds relaas heeft aangehoord, herkent hij in hem de vijand op wie zijn clan die dag nog jacht heeft gemaakt. Voor deze ene nacht biedt hij hem onderdak; morgen echter zullen zij tegen elkaar in het krijt treden.

Alleen achtergebleven, vraagt Siegmund zich vertwijfeld af waar toch het zwaard blijft dat zijn vader hem ooit beloofd heeft als hij in opperste nood zou verkeren. Stil komt Sieglinde binnen, die Hunding een slaapdrank heeft gegeven. Zij vertelt over de vreemdeling die tijdens het bruiloftsfeest een zwaard tot het heft in de essenstam stak, dat ook de sterkste mannen er niet uit hebben kunnen trekken. Inmiddels beseft ze wie die vreemdeling was en voor wie deze het zwaard bestemde... Siegmund slaagt erin het zwaard uit de stam te trekken, en broer en zus weten dat zij hun wederhelft hebben hervonden. Beschermd door het zwaard Nothung vluchten ze weg in de lentenacht.

Tweede bedrijf

Wotan geeft zijn lievelingsdochter Brünn- hilde opdracht te zorgen dat Siegmund het gevecht met Hunding wint. Als godin van het huwelijk kan zijn vrouw Fricka de overspelige liefde van de beide Walsungen echter niet tolereren. Zij eist dat Wotan zijn handen van Siegmund aftrekt: om haar eer te redden moet de Walsung sterven.

Brünnhilde treft haar vader wanhopig aan, verpletterd door het besef dat hij volkomen in zijn eigen netten verstrikt is geraakt. Na enig aandringen neemt hij haar in vertrouwen en vertelt over de Ring, die hij Alberich ontfutselde maar niet aan de Rijndochters teruggaf; hoe deze nu in het bezit is van de reus Fafner en hoe hij Siegmund bestemd had om de Ring alsnog aan de Rijn terug te bezorgen. De paradox is echter dat alleen een volstrekt vrije held de vloek van de Ring zal kunnen opheffen; maar alleen al door Siegmund met het onoverwinnelijke zwaard toe te rusten, heeft Wotan hem tot zijn handlanger gemaakt. Fricka heeft dit doorzien en hij moet haar eis wel inwilligen. Hij geeft Brünnhilde het bevel te zorgen dat Siegmund door Hunding wordt verslagen en waarschuwt haar voor de toorn die haar zal treffen als zij hem niet gehoorzaam is.

Siegmund en Sieglinde zijn op de vlucht voor Hunding en diens bentgenoten. Terwijl Sieglinde slaapt, laat Brünnhilde Siegmund weten dat dat hij met haar naar Walhalla moet gaan. Als hij hoort dat zijn zuster-bruid hem niet mag vergezellen en bovendien dat zij zwanger van hem is, dreigt hij Sieglinde en zichzelf te doden. Diep geraakt door zijn wanhoop en liefde, besluit Brünnhilde Siegmund de overwinning te bezorgen.

In het hierop volgende gevecht wordt Siegmund inderdaad door Brünnhilde beschermd. Net als hij Hunding wil vellen, komt Wotan echter tussenbeide en verbrijzelt Siegmunds zwaard. Nadat Hunding zijn weerloze tegenstander heeft verslagen, raapt Brünnhilde snel de brokstukken van Nothung bijeen en vlucht met Sieglinde weg. Grimmig geeft Wotan aan Hunding het bevel om Fricka te gaan melden dat de schande gewroken is, maar zijn verachtelijke handgebaar maakt dat Hunding dood neervalt. Wotan zet de achtervolging van Brünnhilde in en zweert dat zij gruwelijk voor haar misdrijf zal boeten.

Derde bedrijf

De Walküren komen bijeen om gesneuvelde helden naar Walhalla te brengen. Brünnhilde arriveert als laatste. Haastig vertelt zij waarom zij Sieglinde gered heeft en vraagt haar zusters om bescherming tegen Wotan. Geen van allen durven zij zich echter aan de wrok van hun vader bloot te stellen, en Brünnhilde besluit dat Sieglinde alleen moet vluchten.

Ze overhandigt haar de brokstukken van Siegmunds zwaard en zegt haar alle ontberingen te doorstaan omdat zij zwanger is van ’s werelds grootste held, Siegfried, die Nothung aaneen zal smeden.

Wotan nadert en spreekt zijn straf uit: Brünnhilde wordt voor eeuwig verstoten en zal op de Walkürenrots te slapen worden gelegd, tot prooi van de eerste de beste man die haar wakker maakt. Als de andere Walküren ontzet protesteren, stuurt Wotan hen weg en verbiedt hun hier ooit nog terug te keren.

Brünnhilde smeekt haar vader zijn straf te verzachten. Juist door zijn geliefde Walsung wél te beschermen, heeft zij immers Wotans diepste wens vervuld. Als Wotan blijft weigeren zijn vonnis te herroepen, bezweert zij hem ten slotte de rots dooreen vuurgordijn te omringen, zodat alleen een held zich in haar nabijheid zal wagen. Diep ontroerd stemt hij hiermee in, en na een bewogen afscheid kust hij Brünnhilde in slaap. Hij roept de vuurgod Loge op, en als deze zijn taak heeft volbracht, zegt Wotan bezwerend: “Wie mijn speerpunt vreest, zal nooit dit vuur doorschrijden!”

 

Zweiter Tag
SIEGFRIED

Sinds de vorige Ring-dag heeft Brünnhilde liggen slapen op de Wal kü ren rots. De door haar geredde Sieglinde heeft een kind gebaard, maar is toen zelf gestorven. Deze zoon, Sieg- fried, is opgegroeid bij de dwerg Mime, die hem wil gebruiken om de Nibelungenschat te bemachtigen, waarover de draak Fafner in zijn rotshol waakt.

Eerste bedrijf

Mime doet vergeefse pogingen een zwaard te smeden dat Siegfried niet onmiddellijk stukslaat. Hij weet dat alleen Nothung hiervoor sterk genoeg is, maar hij slaagt er niet in de brokstukken opnieuw te smeden.

Siegfried jaagt de dwerg de stuipen op het lijf met een beer. Vervolgens monstert hij Mime’s laatste werkstuk, dat hij meteen kapot slaat. Mime heft een klaagzang aan over de ondankbaarheid van Siegfried; maar deze weet inmiddels dat de dwerg niet zijn vader kan zijn en hij dwingt Mime hem over zijn afkomst te vertellen. Ter staving van zijn relaas haalt de dwerg de brokstukken van Nothung tevoorschijn. Opgewonden eist Siegfried dat Mime het zwaard vandaag nog aaneensmeedt, zodat hij eindelijk de wereld in kan trekken.

Terwijl Mime wanhopig terneer zit, komt de ‘Wanderer’ (Zwerver, alias Wotan) binnen en dwingt de ongastvrije dwerg tot een weddenschap: Mime mag hem drie vragen stellen, en als hij op één hiervan het antwoord schuldig blijft, behoort zijn hoofd Mime toe. Wanneer de Wanderer alle vragen bevredigend heeft beantwoord, stelt hij op zijn beurt drie vragen aan Mime. De eerste twee vormen geen probleem, maar de derde - wie zal Nothung opnieuw aaneensmeden? - brengt Mime in paniek. Toch is dit nu juist de vraag die de dwerg zelf had moeten stellen, aldus de Wanderer, die vervolgt: ‘Slechts wie het vrezen nimmer kende, die smeedt Nothung opnieuw!’ Mime’s hoofd eist hij echter niet op: hij laat het toevallen aan deze onversaagde held.

Als Siegfried terugkomt ziet dat het zwaard nog niet gereed is. zegt Mimee dat hij pas de wereld in kan trekken als hij het vrezen heeft geleerd. Siegfried is reuze benieuwd naar dit hem onbekende gevoel en Mime’s plan om hiervoor de woeste draak Fafner te bezoeken, lokt hem zeer. Eerst moet hij dan wel over Nothung beschikken, en hij gaat aan de slag om zelf het zwaard te smeden. Mime brouwt ondertussen een slaapdrank: als Siegfried de draak heeft verslagen, wil de dwerg hem dit sap toedienen, waarna hij de knaap met diens eigen wapen kan doden en Ring en schat kan bemachtigen. Siegfried smeedt Nothung aaneen en slaat met één machtige klap het aambeeld doormidden.

Tweede bedrijf

Terwijl de Nibelung Alberich de wacht houdt bij het drakenhol, komt de Wanderer hem waarschuwen dat Mime en Siegfried in aantocht zijn. De Wanderer maakt Fafner wakker, en Alberich biedt het beest aan hem te verdedigen in ruil voor de Ring; de draak slaat dit voorstel af, en de Wanderer gaat er lachend vandoor.

Alberich verstopt zich als Mime en Siegfried hun opwachting maken. Alleen achtergebleven wordt Siegfried zich steeds meer bewust van alle bosgeluiden, vooral van het gezang van een vogel. Na een mislukte poging om op een rietfluitje met de vogel te praten, blaast hij op zijn eigen hoorn, waardoor de slaperige draak naar buiten komt. Onbekommerd daagt Siegfried het beest uit, en hij weet Nothung in zijn hart te planten. Terwijl Siegfried zijn zwaard terugtrekt, valt er een druppel drakenbloed op zijn vinger en onwillekeurig likt hij dit op. Plotseling kan hij de Woudvogel nu wél verstaan: deze vertelt hem dat hij de Tarnhelm en de Ring uit het drakenhol moet meenemen.

Terwijl Siegfried in het hol is, hebben Alberich en Mime een boze aanvaring over de verhoopte buit. De Woudvogel vertelt Siegfried dat hij dankzij het drakenbloed ook Mime’s gedachten kan lezen. En inderdaad: als Mime terugkomt, heeft hij zijn moorddadige bedoelingen al gauw verraden. Siegfried steekt de dwerg dood en pakt de Tarnhelm en de Ring, al weet hij niet waartoe deze dienen. Dan vraagt hij de Woudvogel of die niet ergens een lieve gezel voor hem weet. De vogel vertelt hem over Brünnhilde, en hij zal Siegfried naar haar toe leiden.

Derde bedrijf De Wanderer roept Erda op om haar voor de laatste keer om raad te vragen; haar wijsheid is echter tanende en zij kan hem geen antwoord geven.

Daar ziet hij Siegfried aankomen, die niet weet hoe hij verder moet, omdat de Woudvogel plotseling is weggevlogen. Hij hoopt dat de vreemdeling hem de weg kan wijzen, maar na een tijdje wekken al diens vragen zijn woede op. Verbolgen over Siegfrieds respectloze houding verspert de Wanderer hem met zijn speer de weg. Als Siegfried hoort dat Nothung al eerder door deze zelfde speer werd verbrijzeld, meent hij dat zijn vaders moordenaar vóór hem staat, en met één klap slaat hij de heersersstaf doormidden.

Eenmaal op de bergtop ziet Siegfried een slapende gestalte liggen, en hij deinst angstig terug als dit een vrouw blijkt te zijn. Toch kust hij haar wakker, en stralend bezingt zij haar liefde voor hem, die hij al even vurig beantwoordt. Ineens vervult het besef dat zij nu geen Walküre meer is, haar van intense treurnis en schaamte. De puurheid van zijn liefde maakt echter dat zij zich verzoent met haar huidige lot, en lachend wenst zij de stam der onsterfelijken de ondergang toe.

 

Dritter Tag
GÖTTERDÄMMERUNG

Voorspel

Op de Walkürenrots geven de drie Nornen, dochters van Erda, elkaar de draden door van het Lot. Zij weten dat de ondergang van de góden dreigt, maar niet wanneer dit zal gebeuren: het runenkoord knapt, en zij keren terug naar de Oermoeder.

In de ochtendschemering komen Brünn- hilde en Siegfried uit hun rotshol tevoorschijn. Hij trekt eropuit om nieuwe heldendaden te verrichten en geeft haar als liefdespand de Ring; zij schenkt hem haar schild en het paard Crane.

Het orkestrale tussenspel schildert Siegfrieds tocht langs de Rijn, die hem naar Hagen zal voeren. Dit is de zoon die de Nibelung Albe- rich bij de Gibichungenvrouw Grimhilde heeft verwekt om de Ring voor hem terug te winnen. Hagen woont bij zijn halfbroer Gunther en halfzuster Gutrune in de Gibichungenburcht.

Eerste bedrijf

Gunther vraagt aan Hagen of hij voldoende aanzien geniet. Hagen antwoordt dat zijn reputatie te wensen overlaat, omdat hij niet getrouwd is. Meteen noemt hij een uiterst begeerlijke kandidate: Brünnhilde, die zal toebehoren aan de man die door het haar omringende vuur weet te dringen. Gunther zelf zal hier niet in slagen, maar een zekere Siegfried beslist wel; bovendien zou hij een geschikte echtgenoot voor Gutrune zijn. Eén en ander vereist wel een list, want Siegfried moet elke vrouw die hij ooit heeft gekend, vergeten en vervolgens verliefd worden op Gutrune. Beide kan worden bewerkstelligd door een toverdrank, aldus Hagen. Gunther en zijn zuster gaan akkoord, en prompt kondigt Siegfrieds hoorngeschal diens komst aan.

Tijdens een hartelijke ontvangst reikt Gutrune Siegfried een welkomstdrank aan, dat Hagens toversap bevat. Onmiddellijk is Brünnhilde uit zijn geheugen gebannen en dingt hij naar de hand van Gutrune. In ruil hiervoor zal hij voor Gunther naar de Walkürenrots gaan om Brünnhilde te winnen. Siegfried en Gunther sluiten bloedbroeder- schap en vertrekken.

Op de Walkürenrots wordt Brünnhilde bezocht door haar zuster Waltraute. In Walhalla zit Wotan zwijgend op de ondergang te wachten, zo vertelt zij. Alleen als Brünnhilde de Ring aan de Rijndochters teruggeeft, kan dit noodlot worden afgewend. Brünnhilde weigert echter afstand te doen van Siegfrieds liefdespand.

Plotseling komt een vreemdeling haar belagen: Siegfried in de gedaante van Gunther. Tijdens een worsteling rukt ‘Gunther’ de Ring van Brünnhilde’s vinger en dwingt haar in het rotshol de nacht met hem door te brengen.

Tweede bedrijf

Terwijl Hagen slapend de wacht houdt voor de burcht, wordt hij bezocht door Alberich, die hem laat zweren dat hij de Ring zal bemachtigen.

Siegfried keert terug, en nadat Gutrune zich vergewist heeft van de kuisheid van zijn contacten met Brünnhilde, laat zij Hagen de vazallen bijeenroepen om Gunther en diens bruid te verwelkomen.

Als de boot is aangemeerd, ziet Brünnhilde tot haar ontzetting Siegfried, die haar wordt voorgesteld als de man van Gutrune. Wanneer hij bovendien de Ring blijkt te dragen, roept Brünnhilde woedend uit dat Siegfried haar ‘liefde en lust afdwong’. Siegfried blijft volhouden dat hij Gunther niet heeft bedrogen. Door Hagens geïnsinueer is inmiddels echter ook bij Gutrune en Gunther argwaan gezaaid, en uiteindelijk zweert Siegfried op Hagens speerpunt dat deze hem mag doden als hij de waarheid niet spreekt. Tot algehele verbijstering waagt Brünnhilde het vervolgens om met woorden van gelijke strekking eveneens een eed te zweren.

Als Siegfried en Gutrune zich hebben teruggetrokken, fluistert Hagen Brünnhilde en Gunther in dat Siegfried gedood moet worden. Alleen zijn rug is een kwetsbare plek, zo onthult Brünnhilde. De volgende dag zal Siegfried tijdens een jachtpartij worden vermoord.

Derde bedrijf

De Rijndochters zwemmen rond in de zonnige rivier als Siegfrieds hoorngeschal diens komst aankondigt. De nimfen proberen hem ertoe te brengen de Ring aan hun te geven. Geen van hun waarschuwingen sorteert echter het gewenste effect.

De rest van het jachtgezelschap voegt zich bij Siegfried, en deze vertelt zijn levensgeschiedenis. Op het cruciale ogenblik geeft Hagen hem een nieuwe toverdrank, die maakt dat hij zich weer herinnert hoe hij Brünnhilde wekte. Plotseling cirkelen er twee raven boven zijn hoofd, die wegvliegen naar de Rijn. Terwijl Siegfried de vogels na staat te turen, plant Hagen zijn speer in de rug van de held.

Siegfrieds lijk wordt de Gibichungenburcht binnengebracht. Gutrune houdt Gunther voor de moordenaar, die op zijn beurt Hagen als de schuldige aanwijst. Deze zegt dat hij Siegfrieds meineed heeft gewroken en eist als beloning de Ring op. Gunther wil dit beletten, maar wordt door zijn halfbroer gedood. Net als Hagen de Ring van Siegfrieds vinger wil pakken, verheft diens dode arm zich dreigend. Terwijl allen ontzet toekijken, verklaart Brünnhilde dat zij nu alles weet en gekomen is om zich te wreken. Zij schuift de Ring aan haar vinger en geeft de Rijndochters opdracht deze uit haar as te verwijderen. Ze laat een grote brandstapel oprichten, die ze, als Siegfrieds lijk erop is gelegd, met een fakkel aansteekt. Op haar paard Grane rijdt ze de vlammen in om zich te verenigen met Siegfried, de reinste verrader. Tegelijkertijd is de Rijn krachtig buiten zijn oevers getreden, en als de Rijndochters op een machtige golf boven de brandstapel verschijnen, stort Hagen zich in het kolkende water om de Ring te bemachtigen. Onmiddellijk wordt hij door twee van de nimfen de diepte in gesleurd, terwijl de derde jubelend de Ring in de hoogte houdt. Nadat de Rijn in zijn bedding is teruggekeerd, bereiken de vlammen Walhalla, waar de góden en helden door het vuur worden verslonden.

Team, Cast en Koor

Muzikale leiding 
Hartmut Haenchen
Regie 
Pierre Audi
Decor 
George Tsypin
Kostuums 
Eiko Ishioka
Licht 
Wolfgang Göbbel
Choreografie Götterdämmerung 
Amir Hosseinpour
Dramaturgie 
Klaus Bertisch
Orkesten 
Residentie-Orkest (Das Rheingold)
Nederlands Philharmonisch Orkest (Die Walküre, Götterdämmerung)
Rotterdams Philharmonisch Orkest (Siegfried)
Koor 
Koor van De Nederlandse Opera
Instudering koor 
Winfried Maczewski
 
DAS RHEINGOLD
Wotan 
John Bröcheler
Donner 
Jürgen Freier
Froh 
Albert Bonnema
Loge 
Chris Merritt
Alberich 
Henk Smit
Mime 
Graham Clark
Fasolt 
Peter Mikuláš
Fafner 
Carsten Stabell
Fricka 
Reinhild Runkel
Freia 
Carola Höhn
Erda 
Anne Gjevang
Woglinde 
Gabriele Fontana
Wellgunde 
Hanna Schaer
Flosshilde 
Catherine Keen
 
DIE WALKÜRE
Siegmund 
John Keyes
Hunding 
Kurt Rydl
Wotan 
John Bröcheler
Sieglinde 
Nadine Secunde / Jeannine Altmeyer
Brünnhilde 
Jeannine Altmeyer / Nadine Secunde
Fricka 
Reinhild Runkel
Gerhilde 
Irmgard Vilsmaier
Ortlinde 
Annegeer Stumphius
Waltraute 
Hanna Schaer
Schwertleite 
Hebe Dijkstra
Helmwige 
Kirsi Tiihonen
Siegrune 
Catherine Keen
Grimgerde 
Regina Mauel
Rossweisse 
Elzbieta Ardam
 
SIEGFRIED
Siegfried 
Heinz Kruse
Mime 
Graham Clark
Der Wanderer 
John Bröcheler
Alberich 
Henk Smit
Fafner 
Carsten Stabell
Erda 
Anne Gjevang
Brünnhilde 
Jeannine Altmeyer / Nadine Secunde
Waldvogel 
Stefan Pangratz (Solist Tölzer Knabenchor)
 
GÖTTERDÄMMERUNG
Siegfried 
Heinz Kruse
Gunther 
Wolfgang Schöne
Alberich 
Henk Smit
Hagen 
Kurt Rydl
Brünnhilde 
Jeannine Altmeyer / Nadine Secunde
Gutrune 
Eva-Maria Bundschuh
Waltraute 
Anne Gjevang
erste Norn 
Hebe Dijkstra
zweite Norn 
Irmgard Vilsmaier
dritte Norn 
Kirsi Tiihonen
Woglinde 
Gabriele Fontana
Wellgunde 
Hanna Schaer
Flosshilde 
Catherine Keen